literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Francis de la Fontaine
Brussel omstreeks 1672 - Brussel 1767

Een van de belangrijkste vernieuwers van de achttiende-eeuwse literatuur in de Zuidelijke Nederlanden was de Brusselse rederijker Francis de la Fontaine. Hij schreef en vertaalde blij- en treurspelen en was goed op de hoogte van de moderne Franse literatuur. Al heel vroeg introduceerde hij een werk van de verlichte Franse filosoof Voltaire in het Nederlands. Het ging om Alzire (1736), een van de populairste stukken van Voltaire, dat speelt in Peru en gaat over thema’s als kolonisatie, christendom en tolerantie met de liefde als katalysator. De la Fontaine vertaalde het als D'Amerikanen of Alzire (1739) en het stuk werd in aanwezigheid van landvoogdes Maria Theresia opgevoerd door ‘Gedeons Vlies’, een particulier toneelgenootschap waarvan de schrijver zelf lid was.

Ook op het gebied van vernieuwende toneeltheorie keek De la Fontaine over de grens. In 1751 publiceerde hij twee bewerkingen van Franse teksten over toneel, oorspronkelijk geschreven door de Italiaanse acteur Luigi Riccoboni. Het ene traktaat, Verhandeling over de redenvoering dienstig voor predikanten, redenaars, tooneelspeelders en gezelschappen, gaat over spreek- en acteertechnieken. De andere verhandeling is een beknopte geschiedenis van het theater in West-Europa, het eerste historische theateroverzicht in het Nederlands: Beknopte Beschryvinghe der Tooneelen van Europa.

De inleiding bij deze twee verhandelingen is belangrijk omdat De la Fontaine daarin als een van de eerste schrijvers in de Zuidelijke Nederlanden een pleidooi hield voor het Nederlands. Om de taal te beschermen stelde hij voor een genootschap in het leven te roepen, net als de Fransen, die al in 1635 hun ‘Académie française’ hadden opgericht. Ook pleitte De la Fontaine, ruim tien jaar eerder dan in de Noordelijke Nederlanden, voor een natuurlijke manier van acteren. In plaats van de onnatuurlijke, stijve, deftige, aan allerlei regels gebonden, retorische acteerstijl zag hij liever een eenvoudiger en realistischer acteertechniek.

Ten slotte had De la Fontaine nogal wat kritiek op de eigentijdse cultuur. Op agressieve toon verweet hij zijn medeburgers gebrek aan zelfkennis en culturele vorming. Het populaire jezuïtische schooltheater, dat in het Latijn werd opgevoerd en altijd over Bijbelse stof ging, vond De la Fontaine volslagen achterhaald en ineffectief. Hij zag dat het liefst vervangen door toneel dat meer binding had met de werkelijkheid en waaruit men iets kon leren over het normale ‘burgerlijke leven’. Ook van de op geld beluste predikanten in de Zuidelijke Nederlanden moest De la Fontaine niets hebben en dat het kloosterleven zaligmakend zou zijn, weigerde hij te geloven. Als echt verlicht man was hij ervan overtuigd dat er minder ‘bijgeloof’ zou zijn als mensen meer ‘goede boeken’ zouden lezen.

Er is slechts één oorspronkelijk stuk bewaard gebleven van de schrijver: Het veranderlyk geval in Garibaldus en Dagobertus, gedrukt in 1739, maar al opgevoerd in 1716. Het is een zeer bloedig drama, waarbij beide hoofdpersonen uit de titel sterven.

Verder lezen
Portret van Voltaire, groot voorvechter van tolerantie en vernieuwer van het toneel in Frankrijk, door Nicolas de Largillière, 1718 .