literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Rijklof Michaël van Goens
Utrecht 1748 - Wernigerode (Duitsland) 1810

Van Goens was het wonderkind van de achttiende-eeuwse letterkunde. Al op zijn veertiende publiceerde hij een verhandeling in het Latijn over het begraven buiten de kerken. Vier jaar later, op zijn achttiende, was hij hoogleraar Grieks, welsprekendheid en geschiedenis in Utrecht. Van Goens was toen al de belangrijkste theoreticus van de Nederlandse literatuur.

Want in 1765 en 1766 verschenen van zijn hand drie kritische verhandelingen over de letterkunde van zijn tijd. Hij schreef ze op zestienjarige leeftijd en ze werden onder het pseudoniem ‘philosophe sans fard’ (filosoof zonder opsmuk) gepubliceerd in het eerste literaire tijdschrift van Nederland, Nieuwe Bydragen tot opbouw der vaderlandsche letterkunde. Van Goens introduceerde er de nieuwste literaire inzichten uit het buitenland en hoopte dat de Nederlandse literatuur daar wat van zou leren. In zijn bekendste essay, 'Vrymoedige bedenkingen', wond Van Goens zich op over een artikel van de arts en regent Jan Macquet. Die had willen laten zien dat de eigentijdse Nederlandse dichters eigenlijk niet zo slecht waren. Om dat te bewijzen had hij willekeurig wat citaten van Nederlandse dichters vergeleken met die van klassieke dichters. Van Goens vond dat een hopeloos ouderwetse methode. ‘Ongelukkig bewijsmateriaal!’, roept hij uit:

in welke wetenschap bedient men zich van een dergelijke manier van redeneren? en wat moet iemand wel niet denken van de stand van die beschaafde letteren als hij diens beoefenaars op een wijze te werk ziet gaan alsof ze de basisprincipes van een gezonde argumentatieleer zijn vergeten.

Ook snapte Van Goens niet waarom de Nederlandse literatuur nog altijd vol stond met mythologische figuren, zoals in gelegenheidsgedichten. Wat moest men in verlichte tijden beginnen met ‘een neerdalende Mars of Minerva’? Waarom zou men in een lijkdicht ‘Apollo en de zanggodinnen laten rouwen’ over de betreffende dode? Waar kwam die mode vandaan? En waarom kwam niemand in opstand tegen zoveel onzin?

Van Goens bemoeide zich ook uitvoerig met de politiek. Utrecht, zijn woonplaats, ontwikkelde zich in de jaren 1780 tot een van de patriottische bolwerken van het land. Van Goens daarentegen, die sinds 1776 in het stadsbestuur van Utrecht zat, was een aanhanger van de stadhouder. Met vuur verdedigde hij zijn orangistische standpunten in een satirisch werk als Zeeven dorpen in brand […] of Historie van de oliekoeken (1781) en in het door hem geschreven tijdschrift Ouderwetsche Nederlandsche Patriot (1781-1783). In het toneelstuk Het retour der Matrosen van de vloot van de Schout-by-Nacht uit 1782 wordt een al te fanatieke patriot door orangistische matrozen op hardhandige wijze een Texelse herberg uitgesmeten. Als de patriot zegt dat hij zich bij de burgemeester zal gaan beklagen, vindt matroos Kees dat hij dat vooral moet doen:

En daarom ga jij naar je burgemeester, en zegt dat Zwarte Kees jou gezegd heeft, dat hij je tot materie drukken zou als je wat op onze prins hebt aan te merken; en als er betere kerels komen dan jij, misgeboorte, dan kunnen ze het wapen van de prins op hun bek gesneden krijgen, zeg dat aan je burgemeester, en daarmee goede reis, en als je thuis komt, laat dan je moeder je broek uitwassen, hoorje.

Teleurgesteld over de politieke koers van Nederland veilde Van Goens in 1786 zijn bibliotheek en per advertentie in de krant kondigde hij aan dat hij het land zou verlaten. Bij het passeren van de grens stapte hij zijn koets uit om te zweren dat hij nooit meer terug zou keren.

Zijn laatste jaren sleet Van Goens in Duitsland, in Wernigerode, op een kasteel. Vanaf 1795 moet deze briljante geest in armoede hebben geleefd. Toen stopte de jaarlijkse toelage van twaalfhonderd gulden die hij al die tijd van de stadhouder had gekregen.

Verder lezen
De jongste hoogleraar van Nederland, Rijklof Michaël Van Goens .