literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Jan Verlooy
Houtvenne (België) 1746 - Brussel 1797

Jan Baptist Chrysostomus Verlooy is de bekendste pleitbezorger van de Nederlandse taal in de Zuidelijke Nederlanden. Met zijn Verhandeling op d’Onacht der moederlyke Tael in de Nederlanden vocht hij tegen de verfransing in zijn land.

Verlooy, een advocaat die vanaf 1774 in Brussel was gevestigd, zag met lede ogen toe hoe het Nederlands er was gereduceerd tot tweede taal. Dat was omdat de Zuidelijke of Oostenrijkse Nederlanden werden bestuurd vanuit Oostenrijk. Landvoogdes Maria Theresia en naderhand haar zoon Jozef II voerden weliswaar geen bewuste taalpolitiek, maar omdat het Frans was ingevoerd als diplomatieke en administratieve taal, ging deze taal als vanzelfsprekend domineren. In het onderwijs kreeg het Frans voorrang en ook de in 1772 opgerichte Brusselse ‘Académie impériale et royale des Sciences et Belles-Lettres’ was een Franstalig instituut.

Verlooy ontwikkelde zich vanaf 1780 tot een fel tegenstander van Jozef II. Samen met advocaat Jan Frans Vonck leidde hij de progressieve vleugel van het verzet tegen de keizer. 1780 was ook het jaar waarin hij zijn Verhandeling schreef. Het bevoorrechten van de Franse taal ging volgens Verlooy direct ten koste van de Nederlandse cultuur, wetenschap en literatuur. Nederlandstaligen liepen immers een achterstand op. Zij leerden nooit zo goed Frans spreken als Franstaligen en dat werkte economisch in hun nadeel. Bovendien werd met de Franse taal ook de Franse cultuur overgenomen, waardoor zoiets Vlaams als kantklossen uit de mode raakte. Ook signaleerde Verlooy dat Brusselse wandtapijten werden ingeruild voor Franse gobelins en dat door de groeiende hang naar Franse luxe de oude Nederlandse eenvoud verloren dreigde te gaan. In zijn pleidooi legt Verlooy dit alles uit in begrijpelijke taal. Om het Nederlands te redden en opnieuw status te geven roept de schrijver in de laatste alinea’s van zijn betoog op tot samenwerking tussen Noord- en Zuid-Nederland:

Verder, wij zijn inderdaad hetzelfde volk, hetzelfde in taal, zeden en gebruiken. Daarom, laten wij gezamenlijk Nederlanders, hoewel we in twee gescheiden staten leven, ons in ieder geval in de Nederlandse kunsten als vaderlanders en broeders beschouwen. Laten we gezamenlijk ons gevoegzame Nederlands handhaven, eren en versieren: opdat uiteindelijk DE TAAL VAN DE VRIJHEID ook ooit de taal van de kunsten zal zijn. En het is aan u, Staten der Provinciën, vaders van het vaderland, eerst en vooral hierin uw tot nu toe heersende onverschilligheid te verbeteren, uw goedkeuring te doen blijken, aanmoedigingspremies in te stellen en uit te reiken zonder aanzien van staat of provincies. Begin maar, doe maar iets, hoe weinig het ook is. Laat maar zien dat u ook wilt dat onze taal wordt geëerd: en zij zal het wezen.

Verlooy schreef zijn pleidooi al in 1780, maar het werd pas in 1788 gepubliceerd. Men gaat ervan uit dat de schrijver pas toen over voldoende geld beschikte om de tekst uit te geven, maar het is ook denkbaar dat 1780 simpelweg een te gevaarlijk jaar was om een anti-Oostenrijkse tekst uit te geven. In dat jaar was de nieuwe landvoogd, Jozef II, net aangetreden. In 1788 was de situatie anders. Toen had de revolutie de Zuidelijke Nederlanden in haar greep en zag het er naar uit dat de democraten onder leiding van Vonck en Verlooy gingen winnen. Dat moet Verlooy voldoende moed hebben gegeven om zijn verhandeling te publiceren.

Verder lezen