literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Pieter van Woensel
Haarlem 1747 - Den Haag 1808

Een van de intrigerendste schrijvers uit de achttiende eeuw: arts, geheim agent, schrijver, kritisch denker en wereldreiziger, Pieter van Woensel was het allemaal tegelijk. Zijn tegendraads denken, gecombineerd met een groot schrijftalent leverde teksten op waarin Van Woensel het Nederlandse volk ongezouten de waarheid vertelde, ook op het gebied van de letteren. Hoeveel intellectuelen had Nederland eigenlijk nodig?

In welke verhouding moeten intellectuelen staan tot de rest? Verbeeld u: een staat met een bevolking van één miljoen mensen. Er zijn dan, wil die staat redelijk georganiseerd zijn, x landbouwers, x veeboeren, vissers, huizen-, kleer-, schoen-, enzovoort-makers, x schoorsteenvegers en muzikanten, en uiteindelijk, om onze maag en hersenen te bederven, x banketbakkers en dichters nodig; net zoveel als de behoeften van het hele lichaam eisen. Is daarmee de vraag beantwoord? Ja! Ik wil zeggen dat die staat er zoveel intellectuelen op na mag houden als er overblijven aan alle handen en hoofden die nodig zijn voor noodzakelijk en profitabeler gebruiken. Maar helaas kan men deze formule niet toepassen op ons vaderland: een handeldrijvend gemenebest waarin de behoeften van de inwoners niet zozeer wordt voorzien door hun eigen arbeid als wel door hun handel. Bij ons doet één pennenstreek van een koopman duizend ton graan invoeren, honderd kudden ossen aanvoeren, honderd ladingen wijn importeren; zet elders miljoenen beitels, hamers, naalden en pennen aan ’t houwen, kloppen, steken en schrijven.
Dit maakt het zo goed als onmogelijk precies te bepalen, hoeveel intellectuelen er zouden mogen zijn op onze tweeënhalf miljoen ingezetenen. Maar hoe moeilijk dit ook is, zo onbetwistbaar en onweerlegbaar is het dat we veel en veel te veel beroepsintellectuelen hebben.

Dit citaat is afkomstig uit het tijdschrift De Lantaarn dat Van Woensel tussen 1792 en 1801 schreef onder het Oosterse pseudoniem ‘Mijnheer Amurath, hoofdgeneesheer’. De Lantaarn was een poging licht te brengen in het duister van de Nederlandse samenleving en daarom becommentarieerde Van Woensel moderne onderwerpen als echtscheiding, voorbehoedmiddelen, het leven in de tropen en de vraag of Nederland eigenlijk wel geschikt was voor een democratisch bestel. De schrijver deed niets liever dan kritisch naar zijn eigen land kijken. Dankzij zijn jarenlange reizen over de wereld beschikte hij over een uitmuntend relativeringsvermogen. Hij werkte in Petersburg als arts in een militair hospitaal, maakte langdurige reizen door het Midden-Oosten, woonde in Istanbul en op de Krim, waar hij als marinearts werkte. In 1794 bezocht hij de Nederlandse kolonies in Zuid-Amerika en in 1796 was hij geheim agent, opnieuw in Petersburg.

Een deel van zijn reisnotities publiceerde Van Woensel als Aanteekeningen, gehouden op eene reize door Turkeyen, Natoliën, de Krim en Rusland in de jaren 1784-89 (1792-1795). Eenmaal terug in Nederland bleef hij het liefst rondlopen in Russisch kostuum met bijpassende bontmuts. Ook bleef hij plaagstootjes uitdelen aan zijn landgenoten. In ‘Medicinaal middel om ons nationaal verstand te verbeteren’ schrijft hij: ‘Onze natie (waarom zouden wij blind verliefd op onszelf moeten zijn?) onderscheidt zich van andere naties door een zekere traagheid van geestvermogens.’ Nadat Napoleon in 1800 De Lantaarn verbood, publiceerde Van Woensel alleen nog een vertaling van Cervantes’ Don Quichot (1802).

Pieter van Woensel bleef ook in Nederland het liefst in Russisch kostuum rondlopen .
Pieter van Woensel illustreerde De Lantaarn zelf .