literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Jozef de Wolf
Dendermonde 1748 - onbekend na 1781

Een van de meest raadselachtige schrijvers, tevens een van de meest verlichte geesten uit de Zuidelijke Nederlanden, is Jozef de Wolf. Hij werd opgeleid als priester, maar nog voordat hij werd benoemd kwam hij in opspraak. Dat kwam door zijn anoniem gepubliceerde Den geest der reden (1777), een werk dat onmiddellijk door de keizerlijke censuur op de lijst van verboden boeken werd geplaatst en in beslag werd genomen. In het boek stonden passages waarin aan het bestaan van God werd getwijfeld:

Ik zie wel dat er is een oorzaak van mijn leven,
Echter kan ik niet verstaan wie die oorzaak heeft gegeven,
De oorzaak noemt men God, hier sta ik als een kind,
Dat geen begin, noch eind in deze redenering vind.

Volgens sommige berichten zou De Wolf daarop krankzinnig zijn verklaard en zijn opgesloten. Vast staat dat hij pas in 1779 weer opdook. Toen werkte hij bij het Gentse koninklijke college, waar hem het publiceren werd verboden, tenzij met toestemming van de directeur. In 1781 nam hij ontslag. Tussen 1777 en 1780 moet De Wolf in een waanzinnig tempo hebben geschreven. In die vier jaar schreef hij dertien werken om vervolgens uit de literatuur te verdwijnen. Na 1781 ontbreekt zelfs ieder spoor van hem.

De Wolf was een van de eerste schrijvers in de Zuidelijke Nederlanden die Nederlandstalige tijdschriften schreef. Tot het verschijnen van Den Vlaemschen indicateur in 1779 werden die in het Frans geschreven. De Wolf publiceerde in 1780 twee dunne tijdschriftjes: De Klap-bank der Juffers, ofte het Vermaek aen de Thé-tafel en De Klap-bank der Heeren, ofte het Vermaek in het Caffé-huys. Ook deze teksten verraden op geen enkele wijze De Wolfs verleden als priester. Beide tijdschriften zouden volgens de titelpagina’s in Den Haag zijn uitgegeven, maar verschenen in werkelijkheid vermoedelijk in Gent. Ze zijn geschreven in een genre waar de achttiende-eeuwer verzot op was: de dialoog.

De juffers, in totaal zeven, praten onder andere over hun linten, kapsels en de nieuwste mode. Daarnaast over bals en komedies en de behendigheden van hun minnaars. Van het Vlaams moeten ze niets hebben. Zo drijft De Wolf de spot met de verfransing in de Zuidelijke Nederlanden:

Waar niet over de liefde wordt geschreven,
Daar en kan ik niet mee leven;
En het moet in het Frans nog zijn,
Of het lezen baart mij pijn.
Ik kan mij niet bezig houwen
Met een Vlaams boek te aanschouwen;
Het Vlaams is nooit naar mijn zin,
Want er is geen voedsel in.
Ik weet niet, ik heb vreemde zinnen,
Ik wil zelfs altijd het Frans beminnen;
Zelfs om een toneelspel te zien,
Het moet voor mij in het Frans geschiên.
Ja, naar de theaterstukken
Ga ik om het Frans te plukken.

Tot het overig werk van De Wolf behoren een vertaling van de Metamorphoses en Tristia van Ovidius. In hetzelfde jaar, 1780, publiceerde hij berijmingen van het Oude en Nieuwe Testament, en ook Het Bloemperk van d’allergewigtigste lotgevallen […] dateert vermoedelijk uit 1780. Hierin dicht hij:

Ik vroeg menigmaal de hemel om te sterven,
Omdat ik geen geluk, noch hoop kon verwerven,
Omdat ik niets anders zag dan wat verdriet bracht aan,
En zo is mijn tijd en leven omgegaan.

Dat klinkt niet al te optimistisch en wie weet is De Wolf inderdaad – al dan niet door zelfdoding – in dat jaar gestorven. Met zijn niet geringe literaire oeuvre is hij echter van grote betekenis geweest voor de opbloei van de Nederlandstalige literatuur in de Zuidelijke Nederlanden.

Verder lezen
Het werk dat Jozef de Wolf in diskrediet zou brengen, Den geest der reden .