literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw

Honderden leesgezelschappen, minstens zestig letterkundige genootschappen, tientallen toneelgenootschappen, medische, natuurkundige en wetenschappelijke genootschappen, talloze vrijmetselaarsloges, en dat alles in een klein land als Nederland. De achttiende eeuw was de eeuw van de genootschappen. Allemaal zetten ze zich in voor de samenleving. Dat die samenleving verre van volmaakt was, wakkerde het enthousiasme alleen maar aan.

Eeuw van de genootschappen

In de achttiende eeuw bestond nog geen algemeen onderwijs of een nationaal cultuurbeleid. Veel mensen ervoeren dat als een gemis en daarom investeerden ze zélf in deze zaken door genootschappen op te richten. Vooral ná 1750 ontstonden veel genootschappen. Toen waren de Verlichtingsidealen doorgedrongen tot een groot deel van de bevolking en was men overtuigd van het belang van kennisverwerving. Bovendien ging het economisch niet goed met het land, zodat enige actie noodzakelijk leek. Niet toevallig ontstond in Haarlem, een textielstad met hoge werkloosheid, in 1752 het eerste geleerde genootschap van Nederland, de ‘Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen’, die nog steeds bestaat.

Dit genootschap hield zich bezig met typisch Nederlandse problemen als dijkversteviging en nieuwe landbouwmethoden. Net zo pragmatisch was de in 1767 in Amsterdam opgerichte ‘Maatschappij tot redding van drenkelingen’. Jaarlijks verdronken er zoveel mensen in de Amsterdamse grachten en in het IJ dat het handig was als burgers wisten hoe ze iemand moesten redden. Volgens de nieuwste medische inzichten concentreerde men zich daarbij op de longen. Dat betekende dat men tijdens een reddingsactie iemand bij voorkeur reanimeerde door met een blaasbalg lucht in diens achterste te pompen. Mond-op-mondbeademing werd als laatste redmiddel aanbevolen. De redder kreeg een gouden medaille als beloning. Nederland was in Europa het eerste land dat zo’n genootschap oprichtte.

Maar vooral genootschappen als ‘De Oeconomische Tak’ (1778) en de ‘Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’ (1784) waren van immens belang. Deze genootschappen hadden afdelingen door het hele land en richtten zich daadwerkelijk op het verlichten en helpen van het Nederlandse volk. ‘De Oeconomische Tak’ streefde naar economisch herstel, het ‘Nut’, met zo’n vijftig afdelingen door het land en duizenden leden, concentreerde zich op onderwijs, richtte scholen op en gaf lesboeken uit.

In vrijmetselaarsloges en letterkundige genootschappen hielden de leden zich vooral bezig met morele vraagstukken. Hoe werd je een goed, dat is nuttig burger voor het vaderland? Hoe gaf je inhoud aan een begrip als ‘vaderlandsliefde’? Vrijmetselaarsloges gaven hun kennis alleen door aan medeleden. Dichtgenootschappen richtten zich op het hele land en schreven prijsvragen uit om op die manier mensen aan te zetten tot denken en om dichttalent op te sporen.

Veel genootschappen waren een soort luxe avondscholen voor volwassenen. Men kwam er voor de gezelligheid en om iets te leren. Het Amsterdamse ‘Felix Meritis’ op de Keizersgracht, nu een centrum voor kunsten en wetenschappen, was bedoeld voor rijke burgers die zich wilden verdiepen in natuurkunde, muziek, koophandel, tekenen en literatuur. Het ‘Teylers Genootschap’ in Haarlem, tegenwoordig een museum, besteedde naast natuurkunde ook veel tijd aan godsdienst. Om lid te worden van deze twee genootschappen moest je veel geld hebben, want de contributie was erg hoog.

Veel laagdrempeliger waren zogenaamde leesgenootschappen. Dit waren een soort voorlopers van de huidige openbare bibliotheken. Wie lid was kon er gratis tijdschriften en boeken lezen. De kosten voor abonnementen en bibliotheek werden samen gedeeld. In de tweede helft van de achttiende eeuw waren er meer dan driehonderd. Veel van die leesgezelschappen werden eind achttiende eeuw gebruikt om er de Nederlandse Revolutie voor te bereiden. Juist omdat ze niet verdacht werden van politieke activiteiten konden de leden er ongestoord bij elkaar komen om te brainstormen over de revolutie.

Verder lezen
Een drenkeling krijgt een blaasbalg in zijn achterste geduwd door de dokter (in: Een elektriserend geleerde, p. 152-153, ‘Momenten uit het leven van Martinus van Marum’, nr. 9: de Doctoor zal drenkelinge redde met levenslugt – maar ’t wil niet lukke’. Tekeningen in zwart krijt, pen en penseel in bruine inkt (prent in bezit van Gemeentearchief Haarlem) .
Tempel der Verlichting: het Amsterdamse Felix Meritis aan de Keizersgracht werd in 1788 geopend .
Het Teylers Genootschap is nu een museum .