literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw

Nog meer dan uit de literatuur blijkt uit achttiende-eeuwse brieven hoe menigeen geplaagd werd door alledaagse kwaaltjes als kiespijn en hoofdpijn. Ook de dood was volop aanwezig.

Ziekte en dood

De dichter Jacobus Bellamy was een van die pechvogels die leed aan kwalen waarvoor artsen nog geen oplossingen hadden. In maart 1784, hij was 27 jaar, schreef hij: ‘ik geloof dat mijn hele leven uit een aaneenschakeling zal bestaan van natuurlijke en zedelijke kwalen – tot nu toe sluiten de schakels redelijk goed op elkaar aan.’ Bellamy leed aan podagra, een veel voorkomende kwaal in de achttiende eeuw, een soort reuma die voor veel pijn in de voeten zorgde. Het stadsleven ondermijnde zijn gezondheid volledig. Vanuit Utrecht schreef hij zijn vriendin in oktober 1782: ‘alles wat ik nooit gehad heb krijg ik hier. Nu hoest ik terwijl ik niet echt verkouden ben – in Vlissingen wist ik niet wat hoesten was. Ik ben voor dit land niet gemaakt. Men zegt dat de lucht hier zo bij uitstek gezond is, maar voor mij is de ruwe Zeeuwse lucht veel gezonder.’

In het koude en vochtige Nederland, waar ook nog eens veel ‘bedorven en onbedorven zuivel wordt geconsumeerd’, aldus een tijdschrift in 1701, moeten veel mensen hebben geleden aan chronische maag- en darmklachten en allergische en astmatische klachten. Zo iemand was de schrijver Willem Bilderdijk, die aan de meest diverse, verder onschuldige kwalen leed, zodat hij in 1794 klaagde: ‘Kreeg ik maar eens een echt zware doorgaande ziekte, ik zou of beter worden of bezwijken, maar zo is ’t niet uit te houden of ik moet mijn hele verstand kwijtraken.’ Betje Wolff kreeg wél een zware ziekte. De drie laatste jaren van haar leven leed ze aan ondraaglijke krampen, veroorzaakt door maag-darmkanker. Om bijbehorende depressies te bestrijden konden artsen niet veel meer doen dan de patiënt beweging en afleiding (lezen bijvoorbeeld) aanbevelen.

De achttiende-eeuwse geneeskunde was gebaseerd op de humeurenleer van de Griekse arts Hippocrates. Men ging ervan uit dat de mens was samengesteld uit vier vochten (humores): bloed, slijm, lymfe (of gele gal) en zwarte gal. Al naar gelang een van deze vochten overheerste, onderscheidde men vier constituties of temperamenten: sanguinische (te veel bloed), flegmatische (te veel slijm), cholerische (te veel lymfe of gele gal) en melancholische (te veel zwarte gal). Men kon de temperamenten beïnvloeden door het voorschrijven van bepaalde diëten. Maar volgens de Zweedse natuuronderzoeker Linnaeus, die in Nederland promoveerde, lag een zekere aanleg voor een van de temperamenten al besloten in het continent waar men was geboren. Amerikanen waren volgens hem cholerisch, Europeanen sanguinisch, Aziaten melancholisch en Afrikanen flegmatisch.

Een veel verrichte medische handeling was de aderlating. Door een ader in arm of been te openen, hoopte men met het bloed, de ziekte uit het lichaam te laten stromen. Dezelfde gedachte zat achter het gebruik van bloedzuigers. Artsen waren redelijk goed in het genezen van botbreuken, het verwijderen van nierstenen en kiezen trekken. Ook kankergezwellen wist men soms succesvol weg te halen. Zoiets als narcose of lokale verdoving bestond niet. Alcohol of een knock-out waren de enige opties om de pijn te verzachten. Kwakzalvers profiteerden van de medische onkunde. De bekendste in de Republiek was Johan Christoph Ludeman, een Duitser die zich in 1713 in Amsterdam vestigde. Van heinde en verre kwamen mensen naar hem toe om hun horoscopen te laten trekken en hun urine te laten onderzoeken. Bij zijn dood liet Ludeman een fortuin na. Zijn leven werd in geuren en kleuren opgetekend door broodschrijver Franciscus Lievens Kersteman in de roman Gedenk-waardige Levens-beschryving van […] Johan Christoforus Ludeman (1784).

Vooral kinderen stierven bij de vleet aan besmettelijke ziektes als mazelen, waterpokken en roodvonk. Otto van Eck noteerde op dinsdag 25 november 1794 in zijn dagboek dat er die dag ‘een merkwaardige gebeurtenis’ had plaatsgevonden, ‘dat er namelijk een broertje van mij jarig is. Want behalve mijzelf zijn zij allen gestorven voordat ze een jaar oud waren’. Al rond 1720 werd er geëxperimenteerd met inenten tegen de pokken, waarbij gezonde mensen werden geïnfecteerd met het wondvocht van een zieke, om zo het immuunsysteem te stimuleren. Deze procedure wekte veel weerstand op, zowel uit medisch als theologisch oogpunt. De moeder van Belle van Zuylen bijvoorbeeld, stierf in 1768 nadat ze was ingeënt. Een gemeente als Leiden verbood de inenting in 1771 vanwege de risico’s. Pas toen men aan het eind van de eeuw in Engeland begon in te enten met koepokken kwam er een doorbraak, hoewel de weerstand in Nederland nog lang groot bleef. Schrijvers als Onno Zwier van Haren en de Bataviase koopman Willem van Hogendorp pleitten vóór inenting. De laatste deed dat in 1779 in een prachtig verhaal, Sophronisba, of de gelukkige moeder door de inëntinge van haare dochters.

Verder lezen
Aderlaten, in: Paasman, Het boek der Verlichting, p. 76 .
De bekendste wonderdokter van het land: Ludeman houdt spreekuur, in: Achter slot en grendel, p. 120 .