literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Guido Gezelle
Brugge 1830 - Brugge 1899

Guido Gezelle was in alle opzichten een echt Vlaamse dichter. Hij werd één van de belangrijkste en zelfs vereerde schrijvers van de Vlaamse Beweging. Zoals alle literatoren binnen die politieke beweging voor meer rechten voor de Nederlandstaligen in België wilde Gezelle met zijn literatuur de Vlaamse natie dienen. Dat deed hij, zoals velen, door op zoek te gaan naar de oude Vlaamse volkstaal en het Vlaamse verleden op te roepen. In het bijzonder voegde Gezelle daar een groot natuurgevoel aan toe en een bloeiend katholiek geloof. Anders dan de meeste dichters van de Vlaamse Beweging dacht Gezelle daarnaast na over het dichterschap zelf. Die neiging deelde hij met bijvoorbeeld de symbolisten in Nederland en maakte hem tot een moderne dichter.

De oude taal en de geschiedenis, de natuur en het katholieke geloof, het lag allemaal voor het grijpen in de omgeving waar Gezelle leefde en werkte: de provincie West-Vlaanderen. Vader Gezelle was boomkweker, moeder Gezelle van boerenafkomst. Guido begon op zijn zestiende een priesteropleiding aan het Klein Seminarie van Roeselare. Al gauw begon hij met het verzamelen van woorden, rijmpjes en spreuken in de Vlaamse volkstaal. Na zijn studies filosofie en theologie werd Gezelle aangesteld als leraar in Roeselare. Hij wilde daar vriendschappelijk met zijn leerlingen omgaan en hij wilde samen met hen een christelijke dichterschool stichten. Die kwam niet echt van de grond.

Gezelle leerde daar zelf wél wat: hij kon dichten. Zijn eerste bundels waren Boodschap van de vogels en andere opgezette dieren (1855), Kerkhofblommen (1858) en Vlaemsche dichtoefeningen (1858). Meteen zijn weer de natuur, het geloof en de Vlaamse taal te herkennen. In Kerkhofblommen doet Gezelle in poëzie en in proza verslag van een begrafenis en hij bezingt er het platteland in, maar ook oude volksgebruiken en het katholieke kruis. Het zijn de meer traditionele Vlaamse gedichten, zoals velen uit de Vlaamse Beweging die in die tijd schreven.

Dezelfde gevoelens van natuur en geloof komen ook voor in de Vlaemsche dichtoefeningen, maar daar heeft hij het ook over het dichterschap zelf. Het bekende gedicht ‘Het schrijverke’ is er een voorbeeld van. De dichter spreekt er (ergens in de natuur) een hoopje niet volgroeide draaikevers aan met ‘O krinkelende winklende waterding’. Hij vraagt hun wat ze precies zijn, waarom ze zo draaien en hij noemt hun bewegingen ‘schrijven’. Hij vraagt hun dan waar ze over schrijven:

Zyn 't visselkes daer gy van schryven moet?
     Zyn 't kruidekes daer gy van schryft?
Zyn 't keikes of bladjes of bloemkes zoet,
     Of 't water waer op dat-je dryft,
Zyn 't vogelkes, kwietlende klagtgepiep,
     Of is 'et het blauwe gewelf,
Dat onder en boven u blinkt, zoo diep,

- zijn het met andere woorden natuurdichters, zoals hij zelf ook geweest is -

     Of is het u, schryverke, zelf?

- of zijn het moderne dichters die ook over zichzelf en hun werk schrijven? De kever antwoordt uiteindelijk de dichter:

Wy schryven, zoo sprak het, al krinklen af
     Het gene onze Meester, weleer
Ons makend en leerend, te schryven gaf:
     Één lesse, noch min nochte meer;
Wy schryven, en kunt gy die lesse toch
     Niet lezen, en zyt gy zoo bot?
Wy schryven, herschryven en schryven nóg,
          Den heiligen Name van God!

Voor priester Gezelle draait uiteindelijk alles – het dichterschap, de natuur waarover hij schrijft en de oude Vlaamse taal waarin hij schrijft – om God.

Toen Gezelle een jonge priester was, was hij nog journalist geweest voor Vlaamsgezinde tijdschriften, later werd hij ingeschakeld voor overtuigd pausgezinde bladen. Tussendoor maakte Gezelle gelegenheidsgedichten, vertalingen van Engelse teksten en bloemlezingen van oude Spaanse en Italiaanse religieuze gedichten. Hij schreef ook humoristische verhalen als Boerke Naas en fabels; hij bestudeerde de Vlaamse taal en het West-Vlaamse volksleven. En hij werd nog wel bezig gehouden door allerlei officiële huldigingen. Hij was immers – tegen zijn zin – een idool geworden voor de politieke actie van de Vlaamse Beweging. Rond zijn leerling Hugo Verriest en navolger Albrecht Rodenbach verzamelden zich grote groepen van voornamelijk studenten die hem bijna vereerden en zijn literaire werk verregaande politieke betekenissen toedichtten.

Maar dat was niet meer echt naar de zin van de ouder wordende Gezelle. Hij stortte zich op het dichten. In 1889 werd hij rector van een kloostergemeenschap. In deze wat teruggetrokken periode liet hij in 1893 Tijdkrans verschijnen, in 1897 Rijmsnoer om en om het jaar en in 1901 zijn Laatste verzen. De Tijdkrans bestaat uit een ‘Dagkrans’, een ‘Jaarkrans’ en een ‘Eeuwkrans’. In deze bundel en in Rijmsnoer zoekt Gezelle door de rationele structuur van de tijd heen, die in dagen, jaren en eeuwen altijd voortgaat, toch de eeuwigheid op. Die eeuwigheid ligt soms in de schoonheid van de natuur en van haar rust, maar altijd ook in haar Schepper, in God. Net als in ‘Het Schryverke’ is in Gezelles natuurlyriek een godsverlangen te vinden. Voor Gezelle was de Vlaamse natuur, bezongen in een oude Vlaamse taal, immers een symbool voor God.

Verder lezen
Portret van Guido Gezelle .
Omslag van Guido Gezelle, Vlaamsche volksvertelsels. Bigot en Van Rossum, Amsterdam 1938.