literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Het huis Lauernesse
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Het huis Lauernesse
A.L.G. Bosboom-Toussaint (1812-1886), 1840

Het Huis Lauernesse laat zien hoe grote historische processen ingrijpen in de levens van gewone mensen. Dat grote proces is hier de opkomst van het protestantisme in de zestiende-eeuwse Nederlanden. We volgen in de roman een aantal personages van dichtbij. Een van hen is Paul van Mansveld, een jonge man die rondreist om mensen tot het protestantisme (of preciezer: het lutheranisme) te bekeren. Hij heeft succes bij Ottelijne, de kasteelvrouwe van Lauernesse. Haar verloofde Aernoud daarentegen blijft overtuigd katholiek. Het conflict tussen Aernoud en Ottelijne is een van de hoofdlijnen in het boek: gaandeweg ontvouwt zich een drama, waarbij blijkt dat de sterke liefde tussen deze twee mensen het moet afleggen tegen het geweld van de geschiedenis.

Aernoud ziet na lange tijd zijn doodgewaande Ottelijne terug. Hij heeft al zoveel geleden onder de gebeurtenissen dat de schok van de herkenning hem teveel wordt (deel 2, hoofdstuk 29, p. 399-401):
Aernoud heft het gebogen hoofd op; die stem, die gestalte, die trekken..... ‘Heiligen des Hemels! verrijzen de dooden!’ gilt hij, maar zoo raauw en zoo woest, dat Ottelijne zelve van zijn' schrik de terugwerking voelt. Hij treedt terug noch voorwaarts; slechts brengt hij de hand aan het hoofd, alsof eene plotselinge pijn hem die beweging ingeeft, en laat haar daarna terug zakken, iets mompelend, dat niet te verstaan is; maar zijne trekken hebben eene schrikwekkende verandering ondergaan, het is alsof veerkracht en leven daarvan is weggeweken, en er ligt iets in zijn oog, dat huiveren doet om aan te zien. Ottelijne heeft den steun harer gezellin noodig, om niet neêr te zinken; maar Aernoud gaat op haar toe en vat hare handen, en spreekt zacht en bijna vertrouwelijk, maar met eene onnoozele uitdrukking op het gelaat, die meer ijzing wekt, dan alle hartstogtelijke verwildering. ‘Zeg mij! brandt het dáár beneden! Gij kunt mij vertrouwen. Ik ben van het heilig Ambt. Maar ik ben dezelfde, dien men voormaals Bakelsze heette, nu heet ik....’ Hij scheen zich zijn' nieuwen naam niet meer te herinneren; toen leidde hij liefkozend haar de hand op den schouder: ‘U ken ik wèl!’ ging hij voort. ‘Gij zijt Ottelijne - Ottelijne van Lauernesse! en gij zijt mijne bruid! En ik ben uw bruidegom!’ En eer zij in haren radeloozen angst het verhinderen kon, had hij haar vast in zijne armen gesloten. - ‘Koningin des Hemels! ik ben de Bruîgom van een lijk!’ riep hij op nieuw met eene heesche stem en stiet haar wild van zich af, en met eenen schrikwekkenden lach voegde hij er bij: ‘dat komt van Luther!’ Toen vatte hij haar weder met een' ijzervasten greep - met den kreet: ‘Lutherane!’ - ‘Dat valt te zwaar, Heere! mijn God!’ schreide Ottelijne. ‘Aernoud krankzinnig! Heb barmhartigheid, mijn Heiland!’ En, helaas! dat was geen vermoeden, het was eene ontdekking! De waanzin, die reeds eenmaal in die hersenen had gewoeld, had ze genoeg geschokt en verzwakt, om een ligt spel te hebben bij eenen tweeden aanval. Gelijk vroeger het nameloos zielelijden, dat onverpoosd op hem gedrukt had, bij een hoog prikkelbaar, voor sterke hartstogten ontvankelijk gestel, - bij godsdienstbegrippen, die heenleidden tot sombere dweeperij, - bij een' trots van geest, die zich de verligting der klagten en van het medegevoel altijd had ontzegd, alles, in één woord, wat hij was en wat hem overkwam, had er toe geleid, om zijn verstandsvermogen op die zwakte te brengen, dat een enkele schok van blijdschap of schrik de verbijstering op hem wierp.

Met het personage Aernoud heeft de schrijfster Truitje Toussaint een heleboel verschillende dingen tegelijk gedaan. Op de eerste plaats is hij een aangrijpend karakter, dat de lezer niet onberoerd laat. We zien hoe deze wat moeilijke, maar toch sympathieke man gaandeweg ten onder gaat onder de druk van de omstandigheden. Uiteindelijk volgt zelfs zijn krankzinnigheid, zoals in bovenstaand fragment is te lezen. Zo trekt de schrijfster haar lezers heel effectief de verhaalwereld van 1521 in.

Tegelijkertijd laat Aernoud zien wat Toussaint beschouwt als het grote gevaar in geloofszaken: de ‘dweeperij’. Ze bedoelt daarmee dat het wel belangrijk is om vol overtuiging in God te geloven, maar dat je niet moet doorslaan in fanatisme. In een samenleving waarin verschillende geloven naast elkaar leven, zoals de Nederlandse, moet je tolerant zijn. Ondanks al zijn goede kanten schiet Aernoud op dit punt tekort.

Toussaint zelf heeft geprobeerd om met haar boek het goede voorbeeld te geven. Zelf is ze protestant, en ze geeft hier en daar (bijvoorbeeld in hoofdstuk 27) toe dat ze niet helemaal onpartijdig kan zijn. Toch heeft ze ernaar gestreefd om in haar boek niet alleen goede protestanten te laten rondlopen, maar ook goede katholieken. Bovendien beschrijft ze met sympathie de personages die zich gematigd en tolerant gedragen.

En dan is er nog een heel andere kant van Aernoud. Met zijn tragische levensloop en zijn woeste emoties is hij bij uitstek een voorbeeld van de zogenaamde Byronic Hero: het type hoofdpersoon dat vaak bij de romantische dichter Byron voorkomt. In Nederland werd dit type wel vaker verbonden met de gevolgen van religieus fanatisme. In dat opzicht lijkt de Aernoud van Toussaint bijvoorbeeld op de Guy uit Guy de Vlaming van Nicolaas Beets.

Verder lezen
Op de titelpagina van Het huis Lauernesse staat een biddende Lutheraan afgebeeld. In de verte torens van het Hollandse land waar hij de Hervorming zal brengen (A.L.G. Bosboom-Toussaint, Het huis Lauernesse. G.J.A. Beijerinck, Amsterdam 1840).