literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Van de koele meren des doods
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Van de koele meren des doods
Frederik van Eeden (1860-1932), 1900

Van de koele meren des doods is een psychologische roman, waarin de lezer wordt meegevoerd in de wereld van de hoofdpersoon Hedwig Marga de Fontayne. Hedwig groeit op in een gezin met in totaal vijf kinderen waarvan zij de jongste is. Ze is een godsdienstig meisje dat graag doet wat ze wil en is in staat om zich gemakkelijk aan de omgeving aan te passen. Al op vroege leeftijd blijkt dat Hedwig anders is dan andere kinderen. Dit wordt vooral duidelijk als de lezer wordt meegevoerd in de gedachtewereld van Hedwig. De lezer is getuige van haar zwakheden, haar twijfelachtige houding, de innerlijke conflicten en haar drang tot dramatiseren. Zo denkt ze vaak met veel weerzin terug aan gebeurtenissen die ze vroeger als prettig, leuk of mooi had ervaren. Ze heeft regelmatig last van stemmingswisselingen en is soms in zichzelf gekeerd. Opmerkelijk is de droom die ze heeft als jong meisje: een droom waarin een jongen zegt haar te gaan doden, en van die gedachte kan Hedwig alleen maar genieten. Een keerpunt in haar leven vormt de dood van haar moeder, Hedwig is op dat moment twaalf jaar oud. Haar preoccupatie met de dood wordt groter. Ze doet haar eerste zelfmoordpoging. In diezelfde tijd ontwikkelen haar seksuele gevoelens zich. De huishoudster in het huis, aangesteld na de dood van haar moeder, ziet Hedwig als een zinnelijk, wulps en behaagziek meisje. Veel mannen voelen zich tot haar aangetrokken, maar Hedwig blijkt voor de mannen in haar leven een echte femme fatale te zijn.

Hedwig is, na een mislukt huwelijk met Gerard die haar op den duur niet meer wil zien, met Ritsaart, een kunstenaar met wie ze al tijdens haar huwelijk een relatie kreeg, naar Engeland gegaan. Het gaat steeds slechter tussen haar en Ritsaart, waardoor Ritsaart keer op keer een lange tijd van huis wegblijft om vervolgens weer naar haar terug te gaan. Zij raakt zwanger van hem en op het moment dat ze bevalt is hij niet aanwezig. Het kindje, een dochter genaamd Charlotte, maakt haar gelukkig, maar Charlotte is vanaf de geboorte zwak en blijft niet lang in leven.
Den dag voor den dood van 't kindje was zij zeer opgewonden en spraakzaam geweest, vol hoop en goeden moed, den docter lachend weersprekend als die de levenskansen gering noemde. Zij wist wel beter, ze voelde het kindje zwaarder worden, de weegschaal wees niet zuiver, haar moederlijk oog kon niet bedriegen. Zij was zoo overtuigd en welsprekend dat Janet [hulp in de huishouding] zich om liet stemmen. De laatste dagen had het kindje niet meer gezogen en Hedwig vertoonde, wat Janet verschijnselen van zog-koorts toeschenen, onrust, schitterende oogen en roode kleur.
Den ganschen nacht liep zij met haar halfdood dochtertje door de kamer, neuriënd en dodeinend, afkeerig van 't bed waarop zij toch niet sliep. Zij praatte en zong onafgebroken, steeds vertellend van vadertje die Charlotte zou komen zien, en die haar zoo mooi en lief zou vinden. Tegen den morgen kwam Janet kloppen, maar Hedwig had de deur afgesloten en stuurde haar weg om een rijtuig te bestellen. ‘Hoe is 't met baby?’ riep het goede meisje. ‘O, heerlijk, heerlijk. Helemaal goed’ antwoordde Hedwig, met het nu doode kindje in den arm.

De komst van de baby en de manier waarop Hedwig met het kindje omgaat, is het punt waarop het duidelijk wordt dat het met de geestelijke gesteldheid van Hedwig definitief de verkeerde kant op gaat. Het dringt niet tot haar door dat Charlotte een zwakke baby is die niet lang zal blijven leven; ze gelooft de mensen om haar heen niet die haar hier op wijzen. Zelfs op het moment dat het kindje is overleden denkt ze nog dat alles goed gaat met haar. Ze blijft praten tegen haar dode kindje alsof het nog in leven is. In verwarde toestand besluit ze de vader van de baby op te zoeken en ze verlaat het huis, de baby heeft ze bij zich, in doeken gewikkeld en verpakt in een koffer. Ook op dit moment denkt ze nog steeds dat Charlotte in leven is. Hedwig is op dat moment behoorlijk in de war. Ze is van mening dat ze op zoek moet gaan naar Gerard, in haar ogen de vader van het kind en ziet vervolgens een wildvreemde aan voor Gerard. Deze speelt het spelletje mee om er vervolgens met de koffer vandoor te gaan, denkende dat deze vol zit met waardevolle spullen.

In deze scène geeft Van Eeden een beschrijving van Hedwig die in een psychose is beland. Op basis van onder meer deze scène schreven de critici dat Van Eeden niet een romanfiguur had neergezet, maar een van nature ziekelijk persoon. Van Eeden, psychiater van beroep, had volgens de critici veelvuldig gebruik gemaakt van zijn kennis van geestesziektes en de roman zou daarmee eerder een opgesierd verslag zijn van een ziekelijke patiënt (een ‘zielkundige studie van een min of meer pathologisch geval’) dan een roman. Van Eeden heeft de kritiek verworpen. De hoofdpersoon zou volgens hem niet ziekelijk zijn van aard en aanleg, maar veel gevoeliger voor negatieve invloeden van buitenaf dan een gemiddeld mens. De roman heeft niettemin interesse gewekt in de medische wereld, in het bijzonder de psychiatrie. Zo verscheen in 1964 van de psychiater Rümke een studie over deze roman.

Meer hierover
Verder lezen
Titelpagina van Frederik van Eeden, Van de koele meren des doods. W. Versluys, Amsterdam 1900.