literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Camera obscura
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Camera obscura
Hildebrand (pseudoniem van Nicolaas Beets) 1814-1903, 1839

De Camera obscura was een reality soap. Het was natuurlijk geen televisieprogramma, maar er zijn wel veel gelijkenissen. Wat je voorgeschoteld krijgt, zijn een hele reeks situaties die soms dramatisch zijn, maar vaker nog grappig. Die situaties zijn geïnspireerd door echte gebeurtenissen. En ze gaan in de eerste plaats over gewone mensen. De Camera obscura verscheen ook niet in één keer, maar het boek werd steeds opnieuw uitgegeven. En telkens – zoals bij een nieuwe aflevering van een soap – kwamen er van die situaties van gewone mensen bij. En net als sommige reality soaps kende de Camera obscura een gigantisch succes. Niet voor enkele seizoenen, maar de hele negentiende eeuw lang. De laatste druk verscheen nog in 2002.

Zoals reality tv van nu gaf Hildebrand – een pseudoniem voor de toen bekende dichter Nicolaas Beets – scènes uit het dagelijks leven weer. Veel verhalen zijn speciaal voor het boek geschreven, maar andere zijn bewerkte passages uit Beets’ dagboek en brieven. Hij zou later ook toegeven dat enkele personages uit het boek (niet heel vleiende) portretten waren van mensen uit zijn omgeving. Net als in een soap is het stramien van elk verhaal (elke ‘aflevering’) min of meer hetzelfde. Er is één altijd terugkerend personage, Hildebrand zelf, die bij allerlei vrienden en kennissen op bezoek gaat. Die beschrijft hij uitvoerig. Dat resulteert in levendige aandacht voor allerlei uiterlijke zichtbaarheden, voor kleur, voor vormen. Voor die afstandelijke beschrijving was zijn positie als student goed geschikt: hij kwam op veel plaatsen, zag wat van de wereld, maar hoefde er nog niet serieus aan deel te nemen. Hij was een outsider en kon zich een afstandelijke blik veroorloven. En meteen ook een wat hooghartige humor. Het resultaat is een beeld van saaie, normale burgers in Hildebrands omgeving, waar je toch om moet lachen.

De titel van het boek maakt meteen duidelijk dat Hildebrand zijn omgeving wilde weergeven: hij schreef alsof hij tekende in een camera obscura. Dat was een apparaat uit de tweede helft van de achttiende eeuw, een donkere box waarin op één wand een beeld verkleind werd geprojecteerd, via een lens in de tegenoverliggende wand. De tekenaar hoefde alleen maar over te tekenen, Hildebrand hoefde alleen maar te beschrijven, zo lijkt hij te willen zeggen. Maar dat klopt niet helemaal, Hildebrand beschreef niet gewoon wat hij zag. De titel was niet Daguerrotypen, zoals de eerste foto’s genoemd werden. Dat zou een échte weergave van de werkelijkheid zijn, zonder dat een tekenaar of een schrijver er tussen zou komen. Hildebrand gaf dus toe dat hij het beeld wat heeft aangepast.

Die aanpassingen gebruikte Hildebrand vooral om het beeld dat hij schetste komischer te maken. Van de personages maakte hij typetjes, met wat overdreven en voorspelbare eigenschappen. Hij verbond de uitvoerige beschrijvingen van het uiterlijk van die types aan hun innerlijk leven – al hangt het ene niet meteen van het andere af. En ook zijn taal gebruikte hij humoristisch: hij maakt woordspelingen of laat nu en dan iemand een dialect spreken. Hij gaf dus niet zomaar weer wat hij zag, hij maakte er verhalen van die, meer dan de dagelijkse werkelijkheid, de moeite waard zijn om te lezen. En dat werkte: de Camera obscura kende een groot en lang succes. Een jaar na het verschijningsjaar 1839 was een tweede druk nodig, in 1900 verscheen een twintigste druk, in 1939 al een veertigste. Maar kritiek was er ook, vooral op de afstandelijke houding van Hildebrand, die gezien werd als zelfingenomenheid.

Maar tussen de humor en de zelfingenomenheid van Hildebrand is ook een serieuze ondertoon te vinden. Hij beschrijft immers, naast alledaagse toestanden, ook hoe de Nederlandse samenleving in zijn tijd eruit zag. Hij heeft het over algemene menselijke verhoudingen, maar ook over de verschillende standen in de maatschappij. Zo vertelt hij over Kees, klusjesman bij de familie waar hij verblijft, en de droeve bezorgdheid om zijn schamele spaargeld.
'Kees!' zei ik: 'Je bent te oud om verdriet te hebben. Is er niets aan te doen, vrind?'
De oude man zag vreemd op bij het horen van het woorde 'vrind'. Helaas, misschien was 't hem op zijn negenenzestigste jaar nog geheel nieuw. Een zenuwachtige glimlach, die iets verschrikkelijks had, kwam over zijn mager gezicht; zijn grijze ogen luisterden eerst op, werden toen weer dof, en schoten vol tranen. Zijn ganse gelaat zeide: ik zal u vertrouwen. Zijn lippen zeiden:
'Hoor reis meheer! Kent uwé Klein Klaasje?'
Hoewel ik nu een zeer bijzonder vriend heb, die Nicolaas gedoopt is, en van wie 't niet ondenkbaar was, dat Keesje hem wel eens gezien had, zo kon ik echter onmogelijk op gemelde Nicolaas de naam van Klein Klaasje toepassen, aangezien hij een zeer 'lange blonde jongen' is, en nooit zou ik hebben willen geloven, dat gemelde Nicolaas, hoe onaardig hij ook somtijds wezen kan, de oorzaak zou kunnen zijn van oude Keesjes tranen. Ik antwoordde dus dat ik Klein Klaasje niet kende.
'Heeft meheer Pieter hem uwé dan niet gewezen? De hele stad kent Klein Klaasje. Hij krijgt centen genoeg,' ging Keesje voort.
'Maar wat is het dan voor een man?' vroeg ik.
'Het is,' zie Keesje, 'in 't geheel geen man. 't is een dwerg, meheer! een dwerg, zo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee in een spul reizen. Maar 't is een kwaad kreng. Ik ken hem goed.'
Ik wenste hartelijk naar wat meer orde in de berichten van Keesje.
'Hij is uit het Huis,' hernam hij na een ogenblik zwijgens: 'hij loopt over straat as 'en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er 'en school uitgaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten Klein Klaasje dansen. Dan springt ie om een stok net as zo'n aap, en dan maakt ie zijn bochel wel eens zo groot. Ik heb geen bochel, meheer!' liet hij er met een zucht op volgen. Terecht begreep ik dat Keesje minder jaloers was van de bochel dan van diens geldige vrucht.
'Ik wou,' ging hij op treurige toon voort, de rok een veel harder streek met de schuier gevende, dan voor laken van negen gulden dienstig was - 'ik wou dat ik een bochel had. Ik zou nies uitvoeren. ik zou centen krijgen; ze zouen om me lachen ... Maar ik zou niet drinken,' zei hij, eensklaps van toon veranderende. En de volzin omkerende, voegde hij er, zeer bedaard de rok van de knaap nemende en hem opvouwende, nog eens bij: 'drinken zou ik niet.'
'Keesje,' zei ik, 'toen je de tuin doorkwaamt, en toen ik je aansprak, was je bedroefd, en nu lijk je wel wat boos te zijn; ik zie je liever bedroefd!'
De oude ogen schoten weer vol tranen; hij stak zijn dorre handen naar mij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn gemeenzaamheid, terug wilde trekken, en liet ze niet dan na een bemoedigend drukje varen.
'Och,' zei hij - 'och, meheer weet dat zo niet; - maar ik ben - ik ben veel bedroefder dan boos. Maar Klein Klaasje het me mishandeld. Klein Klaasje is slecht. De mensen,' ging hij voort, naar het schoensmeer bukkende, 'de mensen denken soms dat ie gek is; maar hij is slecht.'

Hildebrand neemt geen heel expliciet standpunt in, maar Kees wordt toch wat droevig beschreven. Hildebrand suggereert dat Kees niet veel vrienden heeft gehad, dat hij eenzaam en oud is, en dat hij bovendien opgelicht is door een dwerg. De rauwheid van de omgang tussen de armen komt hier naar voren: de gehandicapten kunnen niet rekenen op mededogen, of ze zijn inderdaad gewoon oplichters. Hildebrand toont aandacht voor de maatschappelijke toestand. Daarmee nadert de Camera obscura het sociaal bewogen realisme van bijvoorbeeld Cremers Fabriekskinderen (1863).

Verder lezen