literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Leekedichtjes
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Leekedichtjes
P.A. de Génestet (1829-1861), 1860

De hoofdpersonen in de Leekedichtjes van P.A. de Génestet zijn fanatieke predikanten en gewone kerkgangers. De bundel staat daarmee midden in de actualiteit. In 1860 laaide in Nederland een conflict op tussen moderne en orthodoxe protestanten. De moderne predikanten wilden het geloof aan de nieuwe tijd aanpassen. Zij namen de Bijbel niet letterlijk, waardoor nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen, zoals de evolutieleer van Darwin, geen probleem opleverden. Orthodoxe predikanten wilden alles bij het oude laten en namen de Bijbel wel letterlijk. Tussen de aanhangers van beide stromingen werden hevige discussies gevoerd. De Génestet neemt in de Leekedichtjes de scherpslijpers van beide zijden op de hak. Niet zij, maar God kent de waarheid.

De Génestet koos in deze strijd een unieke positie. In plaats van over kleine puntjes in de leer met andere predikanten overhoop te liggen, koos hij de kant van de gewone gelovige, die uit het geharrewar geen wijs meer kon worden. In het vierendertigste gedicht legt hij uit waar een ‘Leekedichtje’ volgens hem toe dient: 'het leere ú overleggen,/ Wat waar en heilig is, wat niet.' De lezer moet dus zelf gaan nadenken over wat hij gelooft. Hoewel hij dominee was, stelde De Génestet zich in de Leekedichtjes niet op als een autoriteit, maar als iemand zonder theologische scholing, een leek. Daarom heet de bundel Leekedichtjes.

Niet alleen de gewone gelovige wordt aangesproken in de bundel. De Génestet roept predikanten op wat meer rekening te houden met hun publiek. In hun preken moeten ze niet te streng zijn, maar tot het gevoel van de gelovige spreken.

IX. Stichtelijk.
Wat zich als stichtlijk aan komt melden,
     Sticht ons maar zelden.
     Wilt gij mij stichten, och, voortaan,
     Och waarschuw niet, maar grijp mij aan!
Laat, bij uw zinrijke verhalen,
Gedachten in mijn ziele dalen,
Een glimlach om mijn lippen dwalen,
     En in mijn oogen lok een traan!
XXXIX. Twee koryphaeën.
‘Gek zijn wij een van beiden, wij,’
Zeî de eene Theoloog tot de' ander.
‘Wat wij gelooven toch strijdt lijnrecht met elkander:
Dit's evident voor ú, dát's evident voor mij -
Dus, een van tweeën is maar mooglijk: ik of gij...’

Of beide, dacht er een en - ging voorbij.
LXXXIII. Uitzetten.
(aan onze ketterjagers.)
‘Zet ze uit de kerk!’ dus roept ge luid.
Zet liever gíj uw kerk wat uit!

Na de publicatie van de Leekedichtjes in 1860 werd P.A. de Génestet een van de best verkopende auteurs van zijn tijd. De Leekedichtjes boden de lezer niet alleen op het gebied van de theologie een nieuw perspectief, ook voor de letterkunde was de bundel vernieuwend. De Génestet brak met de gezapige manier waarop in de jaren daarvoor (ook door hem) over godsdienst was geschreven. De Leekedichtjes waren lichtvoetig en vrijzinnig kritisch.

Hoewel hij over dezelfde onderwerpen schreef als de domineedichters, zijn zijn ideeën over het geloof anders. Zijn geloof was niet rechtlijnig, maar vol twijfel. Dit blijkt ook uit het ‘Leekedicht CXIV’, waarin het leven van een rechtlijnig gelovige wordt afgezet tegen het twijfelende en zoekende geloof van De Génestet. De twijfel wordt hier zelfs geïdealiseerd en lijkt bij een echt gemeend diep geloof te horen. Hoewel De Génestet kritiek uit en twijfelt, bleef hij, tenminste in de Leekedichtjes, een gelovig man.

Verder lezen
Omslag van P.A. de Génestet, Leekedichtjens. Rijmen en dichten zoo oude als nieuwe. Kruseman, Haarlem 1860.