literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld
J.J. Cremer (1827-1880), 1863

’t Is winter in Leiden. Donker en licht strijden met elkaar. De wind probeert de gasvlammen van de lantaarns te doven. Het licht is ook in de nacht nodig, want er is onheil in de stad, en dat moet zichtbaar zijn. De auteur die zijn verhaal hiermee begint, laat zich corrigeren door zijn lezers: `Maar gij, novellendichter, wat spreekt ge in beelden en raadsels?’ De lezer vraagt om eenvoud en kalmte, maar hij kan die niet geven, want hij heeft het onheil gezien, en sindsdien woedt de koorts hem door de aderen. Maar hij zal proberen `ontzettend eenvoudig’ te zijn. Dan stapt hij over op het eigenlijke verhaal. In een armoedige woning slapen een man, een vrouw en vijf kinderen. Als de klok zes uur slaat, wordt de vrouw wakker en loopt naar de bedstee waar de drie oudste kinderen slapen. Ze worden ruw gewekt door hun moeder, krijgen een koude aardappel en moeten naar de fabriek. Saartje is ziek, haar hoofd bonkt en ze heeft koorts, maar ze mag niet thuisblijven. Het jongste kind, Sander, tien jaar oud, slaapt nog half als hij de koude nacht ingaat. Zijn oudere broertje Evert wil hem voorttrekken, maar Sander bijt hem. Daarop laat Evert hem los, en Sander legt zijn hoofd op de stoep, om verder te slapen. Bij de fabriek stromen de kinderen van alle kanten toe. Ze verdwijnen er in het grote gebouw waar in een bedwelmende hitte de spinmachine al draait. Het geluid van de stoommachine klinkt door in de beschrijving:

Zie, in de voorhoven van deze zijn werkplaats, daar stoken de dienaars een vuur van bedwelmende hette. Uit vlugtigen sluimer ontwakend, rekt hij en spant hij zijn leden en spieren. Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en – wanneer hij ze heft, dan grijpen zijn vingers in stang en in drijfwiel; dan stampen zijn voeten op kammen en staven; dan wielen en keeren ontelbare raders; dan snort het en gonst het en bonst het alomme, en trilt er zijn stem als met dondrenden klank: voort raderen, voort; schept haastig den menschen uit ruwe wol een kostlijken draad ten koesterend dekkleed. En ’t snort en het dreunt en bonst er nog sterker, en altijd die stem: Voort raderen, voort!

De fabriekskinderen zijn in deze werkplaats als raderen in de machine. Ze zijn flets, afgestompt, elke levendigheid en elke gezonde kleur is verdwenen van hun gezichtjes. Het lijken geen mensen meer, maar raderen die duizenden keren op en neer gaan, voortgejaagd door de voorman.

Sander is op straat aangetroffen door een student, Willem, baron van Hogenstad, die het laat gemaakt had bij een vriend. Door medelijden bevangen neemt hij het jongetje mee en legt het in zijn eigen bed. Als Sander wakker wordt, hoort Willem hem uit:

- `En hoe heet je vader?’
- `Dat weet ik niet,’ is het antwoord.
- `Maar jij, hoe heet jij?
- `Sander Zwarte.’
- `En wat doet je vader?’
- `Hè, hè,’ grinnikt de jongen: `moeder zeit zuipen.’
- `Maar wat is hij van zijn ambacht?’
- `Ambacht?’ grinnikt het kind… daar had hij nooit van gehoord.
- `Waar verdient hij zijn centen meê?’
- `Dat doen wellui [wij].’
- `En hoe oud ben je al, ventje; ben je al zeven?’
- `Ikke,’ zegt het jongske; `ikke ben tien.’

Hij vertelt dat hij nog nooit buiten Leiden geweest is, geen school bezoekt en nooit in de kerk komt. Hij werkt vijftien uur per dag.

Sander heeft geluk. Willem besluit hem onder zijn hoede te nemen en naar school te sturen. Hij zal een `waarachtig mensch’, een volwaardig lid van de maatschappij worden.

Zijn zusje Saartje vergaat het anders. Ze ligt doodziek in de bedstede na een lange dag werk. Niemand hoort haar kermen om water:

En daar slapen de ouders, die, al ware het uit lage zelfzucht alleen, te waken hadden bij het bed van hun doodzieke kind. En dat kind, het kan niet meer zeggen dat ze dorst heeft; heur lippen zijn als verschroeid; heur mondje is vuur van binnen; in haar hoofdje bonst en giert en dreunt het. Dat doet de koorts, de heete verslindende koorts. Zoo’n arm verzwakt schepseltje is niet in staat om die koorts te doorstaan.
En – niemand hoort er haar telkens stiller en doffer gekreun. En niemand ziet er het klamme zweet daar parelen op het dof gezigtje; en niemand hoort er – neen! Niemand hoort er, na zes uren strijds, dat laatste, dat allerlaatste zacht pijnlijke snikje, het snikje dat klink als een dankbaar zoetvloeijend… verlost!
En daar buiten, daar buldert de stormwind als met dondrenden weêrklank: Vermoord! Vermoord!

Fabriekskinderen worden naar lichaam en ziel vermoord, vervolgt de schrijver. De schuldigen? De onbarmhartige ouders die de kinderen voor zich laten werken, weten vaak niet beter omdat ze zelf zo opgegroeid zijn. De fabrikanten zijn schuldig omdat ze zich beroepen op de concurrentie. De politici en de koning zijn schuldig, omdat ze niets tegen de kinderarbeid doen. De schrijver roept aan het slot de wetgevers en de koning op om een verbod op de kinderarbeid in te stellen.

Fabriekskinderen is een novelle waarin de taferelen elkaar snel afwisselen. De auctoriale (alwetende) verteller speelt een hoofdrol. Hij voert een dialoog met de lezer, of beter gezegd met de luisteraar, die overtuigd moet worden van het kwaad van de kinderarbeid.

De novelle is geschreven op verzoek van een ingenieur die door de regering aangesteld was om te rapporteren over kinderarbeid. Deze man, A. de Vries Robbé, schakelde de schrijver in omdat de wetgeving hem te langzaam ging. Hij hoopte dat een verslag van de populaire Cremer zou helpen om snel tot een verbod te komen. Hij nam Cremer mee in een Leidse textielfabriek, en deze was zo geschokt dat hij binnen zes weken de novelle schreef. Hij droeg hem op 11 maart 1863 in Den Haag voor. Ministers en kamerleden waren uitgenodigd, maar van de ministers verscheen er niemand. De buitenwereld daarentegen reageerde fel. De regering ontving het ene verzoekschrift na het andere. De Leidse fabrikanten stuurden een petitie naar de koning met een verzoek om wetgeving. De regering hield zich echter afzijdig. Cremer bleef oproepen en openbare brieven schrijven. Pas in 1874 werd een wet aangenomen, die door het kamerlid S. van Houten ingediend was. Het kinderwetje Van Houten verbood arbeid van kinderen onder de twaalf jaar.

Verder lezen
Prent uit Nederlandsche Spectator 4 juli 1874, vrouw en kinderen bedanken Samuel van Houten voor zijn Kinderwetje .