literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Gedichten van den Schoolmeester
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Gedichten van den Schoolmeester
De Schoolmeester (Gerrit van de Linde) (1808-1858), 1859

Nog geen eeuw geleden leerde men op Nederlandse scholen de gedichten van De Schoolmeester van buiten. Bijna iedereen kende wel een paar regels van hem, bijvoorbeeld `Een leeuw is eigenlijk iemand, die bang is voor niemand’of `Een hond is vermaard om zijn gezelligen aard’. Vooral aan het eind van de negentiende eeuw was de oplage van zijn enige gedichtenbundel met de eenvoudige titel Gedichten van den Schoolmeester ongekend hoog. In het begin van de twintigste eeuw werd de bundel zelfs cadeau gedaan bij repen chocolade.

De Schoolmeester is uniek in de Nederlandse negentiende eeuw door zijn openhartigheid, door zijn geestig en virtuoos taalgebruik, door zijn losse omgang met regels en door de grappige manier waarop hij autoriteiten belachelijk maakt.

Hij lapt alle dichtregels van zijn tijd aan zijn laars en jongleert zo met de taal dat er geheel nieuwe beelden en associaties ontstaan. Zijn technisch vermogen is groot: hij draait zijn hand niet om voor lange rijmreeksen of kunstige dubbel- of binnenrijmen.

Let maar eens op de rijmen in dit fragment uit `De boterham en de goudzoeker’, een satire waarin een vader zich verbijt omdat zijn gezin steeds groter wordt. Dit is zijn reactie op de geboorte van een tweede stamhouder:

Wat zal ik hier met die twee spruiten doen?
Hoe hou ik op Overschie mijn fatsoen?
Is één niet genoeg voor een burgerman?
Wat doe ik met twee? -- Wat heb ik er an?
Zo'n tweede sieraad
Van mijn huwelijksstaat,
Die in 's levens ontlokenen dageraad
Zich reeds tweemaal alhier te verslikken staat,
Terwijl hij, in toomlozen overdaad,
Zijn buik als een pakschuit op marktdag laadt,
En zijn ouders vertroost met de hoop op zwart zaad,
Pak jij, kameraad!
Maar spoedig je biezen en poets me de plaat.
Jij klaploper, voort! of wij krijgen 't te kwaad.
Hij eet meer dan twee
En hij drinkt als de zee!
Met zo'n tweede letter in 't Echt - A B C
Mijns huwelijkslevens, wat doe ik er mee?
Is A niet genoeg? en wat heb ik aan B?''

Het grote verschil met andere toenmalige dichters, zowel Nederlandse als buitenlandse, zit hem in de afwezigheid van een metrum. Terwijl metrische poëzie de standaard was, schreef De Schoolmeester zijn zogenaamde knittelverzen zonder een vast patroon in beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen en met een bonte opeenvolging van korte en langere versregels. Een typografische broddel is het gevolg: sommige versregels zijn zo lang dat ze over de regel heenlopen, andere bevatten maar enkele syllaben. Toch lijken de regels bij voordracht even lang: door alliteraties en assonanties weet hij te bewerkstelligen dat ze naar behoefte ingekrompen of uitgezet worden. Het metrum, dat een hulpmiddel was bij het van buiten leren van verzen, blijkt bij hem niet nodig. Er is een verrassende muzikaliteit in het ritme, en men onthoudt de gedichten bijna vanzelf na ze een aantal keren gehoord te hebben.

Een hond is vermaard
Om zijn gezelligen aart
En 't kwispelen van zijn staart.
Zijn neus, doorgaans rond,
Staat gewoonlijk in 't front
En zo lang die maar nat en fris is,
Is 't een bewijs, dat menheer zo gezond als een vis is.

Behalve de knittelverzen is er meer typerend voor De Schoolmeester. Malle beeldspraak, dolle personificaties, samenvoegen van dingen die niet bij elkaar horen, opzettelijke begripsverwarring en geestige overbodigheden treft men bij hem aan. En dan ook nog in een uitbundige opeenstapeling, die puur uit het plezier om wat er allemaal met taal mogelijk is, lijkt voort te komen. Gezegden en spreekwoorden vermengt hij zo dat letterlijke en figuurlijke betekenissen door elkaar gaan lopen. Eigenaardig zijn ook de bizarre vergelijkingen, die niet zoals gewoonlijk van klein naar groot gaan, maar andersom: de oceaan wordt vergeleken met een geschuurde schuimspaan, en de zon geeft zoveel licht dat hij wel op een kaars lijkt. Een meester is De Schoolmeester in het verzinnen van onmogelijkheden.

Zoals De Schoolmeester in de vorm van zijn poëzie weigert kunstregels te erkennen, zo schopt hij ook inhoudelijk aan tegen de autoriteiten die overal en altijd een erekwestie van maken en eeuwig te laat op de proppen komen. Tegelijk hekelt hij de negentiende-eeuwse maatschappij met haar voorkeur voor gezellige toneeltjes en haar biedermeierachtige karakter. De grootse thema's waar de romantiek een voorkeur voor had, werden verkleind tot huiselijke tafereeltjes: de woeste schipbreuk wordt een plaatje op de wand, en had daarmee haar bedreigende karakter verloren. De burgerman van de negentiende eeuw verkleint de proporties van de wereld zó, dat hij haar lijkt te kunnen beheersen, en juist die mentaliteit hekelt De Schoolmeester.

Met toestemming van de weduwe stelde Jacob van Lennep de dichtbundel samen die Van de Linde een plaats in de Nederlandse letterkunde zou bezorgen. In de almanak Holland hadden de gedichten van De Schoolmeester veel aandacht getrokken en er was al vaker gevraagd naar een bundeling. Van Lennep dacht dat een boekje met de aardigste gedichten wel een markt kon vinden, en dan zou hij in staat zijn de weduwe te ondersteunen. Hij putte ervoor uit een doos met papieren die zij opstuurde naar Van Lennep. Toen hij deze doorwerkte, stond hij versteld van de werkwijze van De Schoolmeester. Van elk gedicht bestonden wel vijf of zes bewerkingen, `om niet te spreken van een onnoemelijk getal stroken en snippers papier waarop dezelfde regel (of regels) vijf of meermalen voorkwam,’ telkens gewijzigd om de beste versie te kunnen kiezen, zo schreef Van Lennep in zijn voorrede bij de uitgave. Naast de doos uit die hij van de weduwe had gekregen, beschikte hij over de eerder in de Leidse Studentenalmanak en Holland gepubliceerde gedichten. Ook spitte hij de bewaarde brieven van Gerrit van de Linde door op zoek naar bruikbare gedichten. Hij ging daarbij wel eigenmachtig te werk: soms voegde hij gedichten uit verschillende brieven bij elkaar en dichtte zelf nog wat tussenregels. Zoals gebruikelijk verdeelde hij de gedichten over verschillende afdelingen, waarbij hij zeker wel geaarzeld zal hebben over de plaatsing. De indeling heeft een ironische bedoeling, gezien de zwaarwichtige termen als `dramatische poëzie’ of `didactische poëzie’ die Van Lennep gebruikt voor de lichtvoetige gedichten die daarna volgen.

In de voorrede bij de uitgave, die in 1859 verscheen, legde Jacob van Lennep de nadruk op het volstrekt unieke van De Schoolmeester. Ondanks zijn Engelse carrière was Van de Linde in zijn hart altijd een Hollander gebleven, schreef Van Lennep. Niet zoals King William III die, als men de negentiende-eeuwse historische romans moet geloven, na jaren nog steeds hutspot gegeten zou hebben en stug de Engelse omgangsvormen afgewezen zou hebben. Maar hij koesterde zijn afkomst in zijn eigen en meest vertrouwde gebied: de taal. Daarin bleef hij zich veroorloven wat hij zich vroeger in het studentenleven veroorloofd had, en wat hij nu verborg onder het deftige Engelse pantser.

Verder lezen
Titelpagina van de eerste druk van de Gedichten van den Schoolmeester.
Illustratie uit de Gedichten van den Schoolmeester, eerste druk, pagina 25.