literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
Boeken voor de massa

Als sinds de uitvinding van de drukpers omstreeks 1450 konden boeken op grote schaal geproduceerd worden. Een oplage van 500 exemplaren was geen enkel probleem. Boeken waren toen echter nog geen massaproduct. Ze bleven namelijk duur en bovendien kon lang niet iedereen lezen.

In de negentiende eeuw kwam hier langzaam verandering in. Dankzij de industriële revolutie kon drukwerk op een nog veel grotere schaal gemaakt worden. Oplagen van 10.000 exemplaren waren voor Engelse kranten geen uitzondering. Uiteindelijk werd drukwerk hierdoor goedkoper. Omdat deze veranderingen in Nederland vrij langzaam werden ingevoerd, veranderde er in de negentiende eeuw zelf niet zo veel aan de prijs van boeken. Wel namen goedkope tijdschriften zoals het Nederlandsch Magazijn een grote vlucht.

Het onderwijs in Nederland onderging in de negentiende eeuw wel een ware revolutie. De onderwijswet van 1806 verplichtte gemeentebesturen om lager onderwijs te verzorgen voor iedereen die dat niet zelf kon betalen. Het onderwijs werd tegelijkertijd ook beter van kwaliteit. Onderwijzers moesten in de negentiende eeuw voor het eerst een examen afleggen. Bovendien werden er betere lesmethodes ingevoerd. Kinderen kregen bijvoorbeeld steeds vaker les in klassen met leeftijdsgenoten, in plaats van in één grote groep waar kinderen van alle leeftijden en niveaus door elkaar zaten. Meer kinderen leerden dus beter lezen, misschien zelfs wel zo goed dat ze een boek voor hun plezier konden lezen.

Deden ze dat ook? Daar zijn de meningen in de negentiende eeuw zelf over verdeeld. Aan de ene kant waren er de leesbevorderaars zoals de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, die vonden dat vooral de lagere klasse veel meer zou moeten lezen. Door het lezen van goede boeken zouden zij namelijk tot grotere beschaving komen. Aan de andere kant van het spectrum stonden de mensen die beweerden dat er door jan en alleman zonder enig oordeel maar van alles gelezen werd en dat dat gevaarlijk was.

De negentiende-eeuwse lezer zelf laat zich zien als een schuchtere consument. De bibliotheken van ’t Nut vond hij te braaf, maar zelf een boek kopen vond hij toch een beetje eng. Gelukkig waren er in de negentiende eeuw veel andere oplossingen. Zo was er in elk dorp wel een leesgezelschap: een groep burgers die samen boeken kocht. Deze gezelschappen hadden strenge regels over hoe lang elk lid een boek mocht houden. Ook waren er boetes voor wie vlekken of scheuren in een boek maakte. Al deze voorzorgen lijken erop te wijzen dat men elkaar niet zomaar met een boek vertrouwde, misschien omdat het zelf in handen hebben van een boek nog steeds iets bijzonders was.

Een ander manier waarop de keuze voor de lezer wat makkelijker werd gemaakt, zijn de vele series en tijdschriften. Voor bijna elke doelgroep verscheen er in de negentiende eeuw wel een aparte serie of een tijdschrift: van jonge dames tot christelijke huisgezinnen. De lezer wist zeker dat een boek geen schadelijke inhoud had, als het boek uit een betrouwbare reeks kwam. Ook dominees en pastoors gaven leesadvies. Een hele generatie domineedichters stond garant voor - door hen zelf geschreven - goede en onschadelijke lectuur.

Zelfstandige toegang tot het boek kreeg de gemiddelde lezer pas aan het eind van de negentiende eeuw, toen de eerste openbare bibliotheken ontstonden. Met de komst van de pocket halverwege de twintigste eeuw begonnen de prijzen van boeken eindelijk zo te dalen dat het gezamenlijk kopen van boeken niet meer nodig was. Ook voor de laatste leesgezelschappen valt dan het doek.

Verder lezen