literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
De alwetende verteller

De verhalen in een roman worden altijd verteld door iemand. Degene die het verhaal vertelt heet de verteller, en bij hem ligt het `point of view’. Vaak is de verteller een ik, een hij of een zij. In de negentiende eeuw was er meestal een zogenaamde alwetende of auctoriale verteller. De alwetende verteller neemt de lezer als het ware aan de hand en leidt hem door het verhaal heen. Hij legt uit wanneer er nieuwe personages optreden, wanneer er een tijdssprong gemaakt wordt of wanneer er zaken aan de orde komen die de lezer niet begrijpt. Hij spreekt de lezer ook echt aan, in de trant van: `Dit had u werkelijk toch niet verwacht, lieve lezers, dat ik u mee zou nemen naar een herberg.’

Soms zou je hem wel de hals om willen draaien of een schaar willen pakken om hem uit het verhaal te knippen. Maar soms moet je ook erg om hem lachen en lijkt hij een meesterlijke hofnar die de lezer even met zijn neus in de puree van de werkelijkheid drukt.

In de roman De lotgevallen van Klaasje Zevenster van Jacob van Lennep is de auctoriale verteller af en toe een snaak die je beetneemt, maar hij is ook degene die de lezer meeneemt naar een bordeel en daarmee de codes van de negentiende-eeuwse roman doorbreekt. Klaasje Zevenster verscheen als een soort vervolgverhaal. Van Lennep begint meteen zijn lezers de les te lezen. Wie overal iets slechts achter zoekt, moet maar niet verder gaan. Zo, die zit, huichelachtige lezers zijn afgevoerd, preutse dozen mogen verder zwijgen.

Klaasje Zevenster begint op een Leidse studentenkamer. Het is sinterklaasavond, de drank vloeit rijkelijk, zeven studenten proberen elkaar op rijm af te troeven. De bakker zal nog langskomen om gebak te bezorgen en dan wordt er aangebeld, een doos overhandigd die op tafel gezet wordt, borden erbij gehaald, geopend… De schrijver onderbreekt het verhaal: `Maar wat bevond zich dan in die doos? Ja lieve lezer…’, dat laat hij in het midden. Pas enige weken later, toen de tweede aflevering verscheen, kreeg de lezer te horen dat er een slapend wichtje in de doos lag, en dat enkele van de zeven studenten begonnen te blozen bij het zien van het presentje. Je zag ze denken: `Met wie heb ik ook alweer negen maanden geleden…’ Dergelijke grapjes haalt de schrijver geregeld uit.

In Klaasje Zevenster is de alwetende verteller een geestige begeleider die zo innemend is, dat hij op een gegeven moment het vertrouwen van de lezer krijgt en hem in een bordeel kan meenemen. Van Lennep wilde laten zien dat de prostitutie in Nederland beschermd werd door corrupte politieofficieren, en hij wilde dat er minder gezwegen werd over de gevaren die jonge meisjes liepen. Juist onwetendheid maakte ze kwetsbaar, verzekerde hij zijn lezeressen, alweer als auctoriale verteller.

Soms is de auctoriale verteller een zelfingenomen figuur die alleen maar het verhaal tegenhoudt. Bij mevrouw Bosboom-Toussaint is de auctoriale verteller hinderlijk: een excuus-Truus voor haar ellenlange uiteenzettingen over de godsdienst.

Bij J.J. Cremer is de auctoriale verteller een echte lastpak. Hij is een wandelend knaagdier aan het geweten van de lezer. De lezer wordt erop gewezen dat hij kinderarbeid gedoogt, dat hij toneelspelers discrimineert, dat de rechtspraak in Nederland bevooroordeelde klassenjustitie bedrijft of dat hij zich zelfgenoegzaam koestert in zijn rijkdom zonder een blik te willen werpen in de woningen waar de lelijke armoede huist. Hij voert de lezer een kraamkamer binnen waar zojuist de moeder overleden is. `Houdt ge niet van die tafreeltjes, waar zoo van akeligheden en dood in voorkomt’, vraagt hij de lezer, hoewel het antwoord hem niet interesseert. Zijn boodschap is de harde realiteit waarmee hij de lezer wil confronteren.

Aan het eind van de negentiende eeuw hadden de schrijvers schoon genoeg van die auctoriale bemoeial. Ze gooiden hem uit de roman. Maar de potentaat verdween niet voorgoed. Hij is weer populair geworden onder hedendaagse schrijvers, die hem nog veel ingewikkelder tussen de mogelijke wereld van het verhaal en de vertelwijze zelf laten optreden. Louis Ferron, Marja Brouwers, Harry Mulisch, Kader Abdolah en Joost Zwagerman experimenteren ermee. Het helpt dan ook niet om hem uit een verhaal te knippen omdat hij irriteert. Dat is juist een van zijn bedoelingen. Hij kan de lezer amuseren, uitleg verschaffen, bijscholen, confronteren met andere opvattingen maar ook mateloos ergeren.