literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
De historische roman

In de eerste helft van de negentiende eeuw ontstond er een nieuw genre in het Europees proza dat een hype werd, de historische roman. Veroorzaker van de rage was de Engelse schrijver Walter Scott. Vanaf de publicatie van Waverley in 1814 was hij in alle landen nagevolgd. Met Ivanhoe werd hij een Europese ster, die alom bewonderd werd en overal waar hij kwam als een idool onthaald werd.

Nu waren er al vóór Scott historische romans geschreven, maar die hadden niet dezelfde doelstelling. Bij hem gaat het erom dat het verleden in zijn eigenheid weergegeven wordt, door middel van nabootsing van de juiste details in kleding, voorwerpen, taal en gebruiken. De couleur locale moet in orde zijn. Want alleen dan kon de schrijver de botsing der mentaliteiten van verschillende groepen in de vroegere samenleving goed weergeven. Als centrale figuur koos Walter Scott vaak een personage dat zich door zijn beroep in verschillende lagen van de maatschappij kon bewegen, zoals een dokter of een predikant. Het verleden moest waarheidsgetrouw weergegeven worden, zonder een geschiedenisboek te worden. Tegelijk was belangrijk dat de lezer meegesleept werd en dat bereikte de schrijver door veel `huiver’ in zijn verhaal te verwerken. De combinatie van schoonheid met misdrijf of verval leidde tot `het sublieme’, en dat is kenmerkend voor de historische roman. Geschonden graven, gruwelijke vondsten in kelders, levende doden, vondelingen, vervallen kastelen, bloedige eerwraak, dit alles is later onderdeel van goedkope romantiek geworden, maar in de beginjaren van de historische roman waren de thema’s nieuw en het publiek smulde ervan. In Nederland werd het genre opgepikt door Aarnout Drost, Jacob van Lennep, Jan Frederik Oltmans en Geertruida Bosboom-Toussaint.

De eerste historische roman die aandacht trok was van Aarnout Drost. In 1832 verscheen zijn Hermingard van de Eikenterpen, dat speelt in de tijd van de Batavieren, toen het christendom het heidendom verdreef. In 1835, kort na de vroege dood van Drost, verscheen van hem De pestilentie te Katwijk, dat de lezer vanaf de eerste zin betrekt bij de gruwelen van een pestepidemie en de gevolgen daarvan voor vooral arme mensen. Contrastwerking is belangrijk:

Dood… mijne moeder dood. Lacy! Wij zijn enkel kaf. Moeder! Moeder! Ook u nam de pestilentie in haaste van mij weg! Ai, troost mijne arme ziel, lieve God! Nu heb ik alles verloren!’
Luid schreiende verborg eene jonge vrouw haar bleek gelaat in het voorschoot: terwijl zij met de linkerhand op eene doodkist rustte. Deze was op een paar schragen in eene donkere schuur nedergezet; de schemering zoude er haar slechts flauw hebben doen onderscheiden, indien geen heldere zonnestraal door eene der spleten van het houten dak was ingevallen. Zij verlichtte het lijk der oude moeder, en eindigde op haar loodkleurig gelaat. Akelig vertoonden zich de blauwe pestvlekken bij dat schijnsel; de linnen doodsmuts glansde grillig wit. Dat vroolijk licht der zon was vreeselijk! Het is soms, of de onverschillige Natuur onze smart meedoogenloos bespot.

Jacob van Lennep debuteerde in 1833 met De pleegzoon. Van Lenneps romans spelen soms in een recent verleden, zoals De lotgevallen van Ferdinand Huyck (1840), soms in de Middeleeuwen, zoals De roos van Dekama (1836) en De pleegzoon. Jacob van Lennep is een meesterverteller. De meest ingewikkelde plots komen bij hem tot een onverwachte oplossing en door zijn humoristische beschrijving van het volksleven, zijn kleurrijke weergave van historische gebeurtenissen en zijn aandacht voor de psychologie van verraders en meelopers blijven zijn romans boeien.

De meeste bewondering kreeg Geertruida Bosboom-Toussaint. Maar niet meteen. Haar debuut, Almagro (1837) is een romantisch verhaal over een zeerover, spelend in Engeland en Spanje in de Middeleeuwen. De kritiek vond dat zij zich naar de interessantere tijden van Nederland moest wenden: naar de zestiende en de zeventiende eeuw, naar de hervorming en naar de Gouden Eeuw. Hierna begon zij aan studieuzer werk. Zij verdiepte zich in het verleden om dicht bij de waarheid te blijven. Haar romanhelden hebben sterke karakters, of ze mannen of vrouwen zijn, en kiezen eigen lijnen. In 1840 verscheen haar nog steeds indrukwekkende Het huis Lauernesse, de `Bildungsroman’ van een jonge vrouw in de tijd van de reformatie, die haar liefde, maatschappelijke zekerheid en vrijwillige gebondenheid opoffert. Ze wint geloof, vrijheid en zelfstandigheid, maar tegelijkertijd komt ze in een onveilige en onbeschermde positie te staan.

De historische roman bleef nog lang in trek. In de twintigste eeuw kwam er een opleving, met Arthur van Schendel en Aart van der Leeuw, en na de oorlog met Simon Vestdijk, Theun de Vries en Hella S. Haasse. Op dit moment is er opnieuw een hausse, en ironisch genoeg heeft die tegenwoordig vaak de negentiende eeuw als onderwerp. Bijvoorbeeld Publieke werken van Thomas Rosenboom, De klopgeest van Gerrit Komrij, en De zwarte met het witte hart van Arthur Japin.