literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
Een boekwinkel

De Leidse academische boekhandel Luchtmans had in het begin van de negentiende eeuw tweehonderd vaste klanten. Daaronder waren dertien vrouwen. Ofschoon de vrouwen vooral stichtelijke werken aanschaften, moeten ze zich toch wat ongemakkelijk gevoeld hebben bij het binnengaan van de winkel. De negentiende-eeuwse vrouw die de drempel van een boekhandel betrad, begaf zich in een mannenwereld. Weliswaar lazen de vrouwen veel, maar het kopen lieten ze over aan hun echtgenoten. De heer ging voor zijn eigen bestellingen naar zijn vaste boekhandel, en voegde voor zijn vrouw, als hij in een goed humeur was, daar wat luchtige boeken aan toe. Daarin liet hij zich adviseren door de verkoper. De dichter Tollens bestelde voor zijn vrouw in brieven aan zijn vaste uitgever, die tevens boekhandelaar was, ‘bagatellen’ voor haar ‘romannenkastje’.

Hoe zag de boekenwinkel in de negentiende eeuw eruit? Je moet je niet voorstellen dat je er gewoon boeken kon uitzoeken. Er was een toonbank waarachter de boekverkoper stond. Er lagen geen stapeltjes met boeken naast de kassa. Achter de toonbank stonden in de kast gebonden boeken uit de collectie van de boekhandelaar. Dan lagen er flinke stapels met bedrukt papier. Als een klant in de vroege negentiende eeuw een boek kocht, kreeg hij geen ingebonden exemplaar mee, maar een stapeltje gevouwen bladen. Die kon hij dan zelf laten inbinden, altijd in leer. Zo paste het boek dat hij kocht goed in zijn eigen bibliotheek. Ook was het zo dat een klant niet impulsief een boek kocht. Hij bestelde vooruit. Er hingen in de winkel intekenlijsten. Daar kon je je naam op zetten. Als een uitgever voldoende intekeningen binnen had, waagde hij het om het aangekondigde boek te gaan drukken. Voor sommige schrijvers hoefde dat niet. Als er een Tollens of een Van Lennep uitkwam, waren er voldoende kopers te verwachten en drukte de uitgever ook zonder te wachten op de bestellingen. Maar bestellen moest je toch, en pas enkele weken nadat je een boek besteld had, kreeg je het thuisbezorgd. Boeken waren duur. Ze werden helemaal met de hand gezet en met de hand gedrukt. Het papier werd van lompen in molens gemaakt en was ook kostbaar. Een boek was dus een kostbaar bezit. Sommige lezers verzonnen daar wat op. Ze vormden een kleine vereniging die gezamenlijk boeken kocht, en dan gaven ze die aan elkaar door. Zulke leeskringen bestaan er nu nog, al kan vrijwel iedereen tegenwoordig wel een boek kopen.

In de loop van de negentiende eeuw werden de boeken goedkoper. Er kwamen sneldrukpersen op stoom en er werd fabriekspapier uitgevonden dat niet meer van lompen maar van hout gemaakt werd. Ook werd het gebruik de boeken wel in te binden voor klanten, zodat de buitenkant van boeken uniform werd. De linnen band kwam in plaats van de leren band.

Veel boekhandelaren hadden tegelijkertijd een leesbibliotheek. Je kon dus ook boeken lenen. Echte openbare bibliotheken werden pas aan het eind van de negentiende eeuw opgericht. Maar je kon gewoon tegen 7 cent per week een boek huren in zo’n leesbibliotheek. Die hadden lijsten van de boeken die ze uitleenden. De leesbibliotheken hadden vooral populaire boeken in het aanbod, veel vertalingen en boeken van niet zo hoog niveau. Knechten en dienstmeisjes die hadden leren lezen op een van de volksscholen van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen kozen zelf hun boeken in overleg met de leesbibliotheekhouder. Je kon ook een abonnement nemen. Dat deden vooral getrouwde vrouwen uit de wat betere stand. Ze wachtten thuis de bodes af die de portefeuilles met nieuwe boeken of tijdschriften rondbrachten.

Behalve de boekwinkel en de leesbibliotheek had de boekhandelaar meestal ook een uitgeverij. Hij was daardoor een belangrijke figuur in het openbare leven van een stad. De burgemeester, de notaris, de schrijver, de politicus, ze kwamen allemaal bij hem over de vloer en hij kan een echte publieke figuur genoemd worden. Maar vrouwen en kinderen zag hij niet zoveel in zijn winkel als een tegenwoordige boekhandelaar.