literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Maria Dermoût
Pekalongan 1888 - Den Haag 1962

‘Ze leefde met haar boeken in Indonesië’, schreef Rob Nieuwenhuys in zijn Oost-Indische Spiegel (1972) over Maria Dermoût. Zij werd in 1888 geboren als Helena Anthonia Maria Elisabeth Ingerman op suikerfabriek Redjosari te Java. Nieuwenhuys' woorden zijn veelzeggend, want niet alleen werkte Dermoût in Indonesië tussen de boeken, o.a. in een bibliotheek te Semarang, haar romans en verhalen spelen zich ook in Indonesië af, dat wil zeggen: in het vooroorlogse Indië van Java en de Molukken. De boeken van Maria Dermoût zijn doortrokken van een oosterse sfeer, niet alleen door de beschrijving van de inheemse mensen, dieren, planten en dingen, maar ook door het gebruik van Indische bronnen - geschreven en gesproken overleveringen. Bijvoorbeeld die van de naaister Louisa, op Ambon, over wie Dermoût aan haar uitgever liet weten: ‘Die vertelde over de koralen boom van de zee met de kreeft eronder en de slang met de karbonkelsteen, dat moet ik toch nog eens opschrijven.’ Aan dergelijke gesproken bronnen dankte Dermoût ook haar bijzondere stijl die bestaat uit veel korte zinnen, herhalingen en pauzes waarin de spanning wordt opgevoerd. Ook hier overheerst de oosterse invloed van de inheemse, orale vertelkunst die Dermoûts werk zo uniek maakt.

Van maart 1910 tot en met maart 1914 verbleef Maria Dermoût op Ambon, waar haar man Isaac voorzitter van de landraden was. In deze eenzame jaren, waarin haar echtgenoot veel op dienstreis moest, verdiepte de schrijfster zich in alle facetten van de Molukse eilanden en maakte aantekeningen die zij veertig jaar later zou gebruiken voor haar literaire werk. Ook sloot zij een hechte vriendschap met Johanna Louisa van Aart die in Ambon-stad een hotel dreef en het landhuis Katé-Katé (‘klein’) bewoonde. Mevrouw van Aart liet Dermoût kennismaken met de beroemde werken van de zeventiende-eeuwse bioloog Georg Everhard Rumphius (1627-1702), die in zijn D’Amboinsche Rariteitkamer en Het Amboinsche Kruidboek de flora en fauna van de Molukken op wetenschappelijke en poëtische wijze had beschreven.

Ambon was een van de oudste Europese nederzettingen in Zuidoost-Azië, ontdekt door de Portugezen in 1498. Het eiland was belangrijk vanwege de specerijen die er groeiden: kruidnagel, peper, noodmuskaat en foelie, eerst in het wild en later in de 'tuynen' die Maria Dermoût liet herleven in haar grootste roman De tienduizend dingen. Daarin greep zij terug op Molukse bronnen en haar eigen Molukse ervaringen. Voor de hoofdfiguur in de roman, Felicia ofwel ‘mevrouw van Kleyntjes’, stond mevrouw Van Aart model.

Maria Dermoûts debuut Nog pas gisteren verscheen in 1951. Het werd gepubliceerd toen de schrijfster naar Nederland was gemigreerd en gaat over haar Indische jeugd die weliswaar voorbij was, maar in haar herinnering was blijven leven. In 1955 volgde De tienduizend dingen. Deze roman wordt tegenwoordig als een meesterwerk beschouwd. Bij verschijning was dit anders: de Nederlandse ontvangst was matig, lezers vonden het werk te ‘Indisch’. Overigens oogstte de vertaling in Amerika wél veel lof: Time-Magazine riep The Ten Thousand Things uit tot een van de beste boeken van 1958. Opvallend is dat de roman daar verscheen onder de noemer ‘East Asian Fiction’, met als ondertitel ‘A novel of the Moluccas’.

Behalve de romans Nog pas gisteren en De tienduizend dingen bevat Dermoûts verzameld werk de verhalen Toetie (z.j.), Spel van de tifa-gongs (1954), De juwelen haarkam (1956), De kist (1958), De sirenen (1963) en Donker van uiterlijk (1964). Haar biografie, geschreven door Kester Freriks, getiteld Geheim Indië. Het leven van Maria Dermoût 1888-1962, verscheen in 2000.

Verder lezen
Maria Dermoût met haar echtgenoot te Pati (Java), 1906.