literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Jan Wolkers
Oegstgeest 1925 - Den Burg 2007

Seks en goddeloosheid. Zo zou je volgens sommigen het werk van Jan Wolkers kunnen samenvatten. Of zij daar gelijk in hebben, is maar zeer de vraag. Toch is Wolkers’ bekendheid bij het grote publiek zeker voor een groot deel te danken aan zijn openhartige beschrijvingen van seks, en zijn verzet tegen het gereformeerde milieu waarin hij opgroeide. Een voorbeeld hiervan is het verhaal ‘De achtste plaag’ uit De hond met de blauwe tong (1964). Wolkers beschrijft hierin de verstikkende sfeer in een gezin tijdens eerste paasdag. De mannelijke hoofdpersoon (‘ik’) heeft een sterke afkeer van zijn vader, die de strenge calvinistische moraal verpersoonlijkt. De spanning tussen de twee wordt onder meer opgewekt doordat het gezin het konijn van de ‘ik’ als avondeten voorgeschoteld krijgt. ’s Ochtends vroeg, na als daad van verzet een gedroogde sprinkhaan in de pan bij het konijn te hebben gestopt, gaat de jongen de tuin in. Een kip die aan de leg is verleidt de jongen tot een wel heel vreemde handeling.

Ik hoorde ineens een schor gekakel. Toen zag ik dat in een van de leghokken een kip zat. Het was de oude leghorn met het kale achterwerk. In het nachthok ging ik op mijn hurken zitten en keek naar de grote bleekroze opening die open- en dichtging van het persen. Ineens viel het ei eruit in het stro. Gespannen keek ik naar het gat dat nog open bleef staan. Ik wilde er iets insteken, een stokje of mijn vinger. Toen ik opstond voelde ik dat mijn broek bij mijn kruis spande. Ik deed mijn gulp open. Daarna pakte ik de kip bij de kop en de poten stevig beet en stak haar aan mij vast. Terwijl ik ermee heen en weer ging keek ik door het raam. Het was of de bomen in de tuin vervormd en verplaatst werden door troebele watermassa’s die tegen het glas uitdeinden, alsof ik een reusachtig aquarium binnen keek. Of dat ik verdronken was en toch kon blijven kijken. Ik durfde niet naar de kip te kijken omdat ik haar zo stevig vasthield dat ik het gevoel had of ik haar fijnkneep. Toen ik haar van mij afhaalde en op de grond zette was ze helemaal verslapt. Ze zakte door haar poten en viel stuiptrekkend om. Met haar kop maakte ze nog een paar snikkende bewegingen. Toen bleef ze doodstil liggen.

Passages als deze veroorzaakten in het nog verzuilde Nederland van de vroege jaren zestig golven van protest en verontwaardiging. Wolkers’ beklemmende mix van seksualiteit, religie en dood leverde hem al in een vroeg stadium bekendheid op. Zo werd Kort Amerikaans (1962) een bestseller.

In de passage hierboven werden seks en dood met elkaar verbonden. Dat is ook het thema in Wolkers’ meest bekende boek: Turks Fruit (1969). Hierin wordt de lichamelijke aftakeling beschreven van Olga, de vriendin van de hoofdpersoon, die uiteindelijk aan een tumor zal overlijden. Niet alleen in deze roman, maar ook de rest van zijn oeuvre is doortrokken van de doodsthematiek.

De invloed van Wolkers strekt zich uit tot voorbij de literatuur. Een aantal van zijn romans zijn verfilmd, waaronder Turks Fruit. Deze film uit 1972, met Monique van de Ven en Rutger Hauer in de hoofdrollen, behoort inmiddels tot de ‘canon’ van Nederlandstalige films. Bovendien was Wolkers zelf op andere terreinen actief, met name als beeldend kunstenaar. Hij ontwierp onder meer het bekende Auschwitzmomument in Amsterdam (1977).

Ook tijdens de laatste jaren van zijn leven bleef Wolkers in de publieke belangstelling staan. Zo presenteerde hij in 2002 voor de VPRO de jeugdserie ‘De achtertuin van Jan Wolkers’. Wolkers behoort – zelfs na zijn dood – tot het selecte gezelschap bekende Nederlanders die als ‘typetje’ worden opgevoerd in programma’s als Kopspijkers en Koefnoen.

Verder lezen
Jan Wolkers. Foto: Chris van Houts.