literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Het gezin Van Paemel
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Het gezin Van Paemel
Cyriel Buysse, 1903

De geschiedenis nam een ironische wending op de dag dat Cyriel Buysse de baronstitel kreeg. Naar het schijnt heeft de schok die dit late eerbetoon bij de Vlaamse schrijver teweegbracht, zelfs zijn dood bespoedigd. Begrijpelijk, voor een auteur die keer op keer uithaalde naar de adel en wiens werk op gespannen voet stond met de heersende fatsoensnormen.

Vooral zijn (naturalistische) belangstelling voor seksualiteit stuitte op verzet. Buysses debuutroman Het recht van de sterkste (1893) was in katholieke ogen pure pornografie. ‘Wie respect heeft voor zichzelf en rein wil blijven, rake nooit een boek aan van dezen auteur.’ De ‘perversen dekadent’ Buysse (1859-1932) was niet de eerste naturalist die dergelijke verwijten te horen kreeg. De kritiek is een echo van wat eerder in Frankrijk over Émile Zola was gezegd.

Haat tegen de burgerij is een tweede naturalistisch motief waarin Buysse zich naar hartenlust uitleefde. In satirische eenakters, zoals De plaatsvervangende vrederechter, maakte hij de rechterlijke macht belachelijk. In de serieuzere toneelstukken worden sociale wanverhoudingen aan de kaak gesteld. Vooral zijn populairste stuk, Het gezin Van Paemel, bevat scherpe maatschappijkritiek. Tegen het decor van de economische crisis en het opkomende socialisme schetste Buysse de ondergang (‘reinewoassie’) van het pachtersgezin Van Paemel. Een onwaarschijnlijke hoeveelheid ellende daalt neer over het gezin. Ziekte en dood, verkrachtingen, onechte kinderen, faillissement, invaliditeit - niets blijft ze bespaard.

Vader Van Paemel reageert op iedere nieuwe catastrofe met zijn eeuwige antwoord: ‘An ‘t wirk, nondedzu! tot da’k er bij cravere.’ Zijn gelatenheid staat in contrast met het verzet van zijn kinderen, zodat in het gezin niet alleen een politieke strijd, maar ook een generatieconflict wordt uitgevochten. De halsstarrige en onredelijke boer heeft geen begrip voor de nieuwe denkbeelden van zijn kinderen, en bewerkstelligt zo zijn eigen isolement.

Buysse, net als de door hem bewonderde Heijermans, schrikt niet terug voor het grote gebaar. Er wordt mateloos veel tandengeknarst, handen gewrongen, gesnikt en geschreid. Troost is slechts te vinden in de rijkelijk vloeiende ‘dreupelkens dzjenuiver’, en - voor de vrouwen - bij God. De oudste zoon Van Paemel reageert woedend op hun gebeden: ‘‘k ‘n Geleuve nie mier aan uldere God: d’r ‘n es giene God veur d’oarme meinschen.’ Hoewel Buysse zelf in Den Haag woonde, is het hele stuk geschreven in dit Oost-Vlaamse dialect.

Verder lezen
Het toneelstuk van Cyriel Buysse werd in 1905 door amateurs opgevoerd. In 1986 werd het verfilmd.