literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Een revolverschot
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Een revolverschot
Virginie Loveling, 1905

In het wankele huwelijk tussen Nederland en Vlaanderen heeft Vlaanderen altijd de rol van de vrouw gespeeld. De Vlaamse cultuur zou aardser, emotioneler en uitbundiger zijn, meer in contact staan met het stoffelijke en lichamelijke. De Nederlandse cultuur daarentegen zou koel, ingehouden, rationeel en vergeestelijkt zijn. Wie Een revolverschot (1905) van Virginie Loveling leest, begrijpt meteen waar de oude vooroordelen over het ‘aardse’ karakter van de Vlaamse literatuur vandaan komen. Nergens zijn de notabelen stijver, de priesters corrupter, de mannen driftiger en de vrouwen krankzinniger dan in de Vlaamse literatuur van het begin van de vorige eeuw. Natuurlijk kent ook de Nederlandse literatuur genoeg streekromans waarin het boerenbloed kruipt waar het niet gaan kan, maar zo rauw als bij de zuiderburen werd het Nederlands naturalisme niet.

Loveling was een van de subtielere, realistische auteurs. Haar romans zijn ware studies van de machteloze, door instincten gedreven mens. Daarbij liet zij zich niets aan de eisen der welgevoeglijkheid gelegen liggen, zodat een Nederlandse redacteur haar schreef, over een van haar boeken waarin een ‘maîtresse’ ter sprake komt: ‘Onze jonge dames weten óf niet wat dat is, óf willen het niet weten, en wanneer, zoals het geval zal zijn, uw roman in de huiselijke kring wordt voorgelezen, zal dat woord een opzien baren, waarover vader of moeder niet al te best te spreken zijn.’ Een revolverschot zal zulke ouders niet hebben kunnen bekoren. Vanaf de eerste pagina hangt er een erotisch geladen dreiging over het verhaal. Niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen zijn ten prooi aan driften die onbeheersbaar worden in de benauwende sociale verhoudingen waarin ze opgesloten zitten.

De helden van het verhaal zijn twee redelijk gefortuneerde, huwbare notarisdochters: de blonde struise Georgine en de elf jaar oudere Marie. Hun achternaam, Santander, wijst op Spaanse voorouders, een exotische afkomst die niet ongewoon was in Oost-Vlaanderen. Maar het Spaanse bloed openbaart zich alleen in Marie, wat haar tot een ‘lelijke’ vrouw maakt: klein en donker. Behalve dit overgeërfde, vurige bloed, wordt ook haar gebrekkige opvoeding Marie fataal: zij is ‘uiterlijk beschaafd (...) maar in geen hoger stadium van geestesontwikkeling of zielenstreven dan de dorpsbewoonsters of de boerinnetjes uit haar levenskring.’ Maries opgekropte frustratie over een uitblijvend huwelijk en de jaloezie op haar potige, jonge zus lopen uit de hand als beiden dezelfde man willen. De onhandigheid en het egoïsme van deze jonge weduwnaar leiden ertoe dat de hartstocht onbeheersbaar wordt, en dat er doden vallen.

Moederlijke bezorgdheid was weg bij de ene, kinderlijke onderworpenheid bij de andere. De diepe, trouwe verkleefdheid die zich, sinds beiden volwassen waren, nooit in woorden had geuit of door liefkozingen had betuigd, maar zich steeds in de kleine daden van dagelijks levensverkeer openbaarde, bestond niet meer.
Wie en wat had haar vernietigd, die zustermin? Een overgang was niet merkbaar geweest, en thans bestond er die wrok. Het besef van het uwe en het mijne was sterk geworden: het grijpen naar een stel breinaalden, het ongevraagd gebruik van een zijden draad uit de streng die aan de andere behoorde - alles gaf aanleiding tot een verwijt, een onvriendelijk gebaar, een korte kibbeling.
Onder deze nietige aanleidingen tot twist in de anders zo harmonieuze omgang lag de wrede, gruwelijke strijd verborgen voor het geluk, een strijd van leven of dood, van zijn of niet zijn.

Door de concrete voorbeelden van de breinaalden en de zijden draad, maakt Loveling het broeiende conflict tussen de zussen tastbaar, dagelijks, en daardoor nog pijnlijker. Die dagelijksheid van het drama wordt ook bewerkstelligd door het decor; dat is, zoals meestal bij Loveling, een dorp in Oost-Vlaanderen. Behalve een psychologisch verhaal is Een revolverschot daarmee ook een dwarsdoorsnede van het dorpsleven: de bijgelovigheid, de roddels, de vooroordelen en de wekelijkse gang naar kerk, markt en herberg. Lokale gebruiken en het bijbehorende dialect komen uitgebreid aan de orde. Zorgvuldig tekent Loveling deze wereld. Er wordt waterzooi gegeten en er worden ‘hetekoeken gebakken ter ere van de vlaswieding’. De schrijfster gebruikt het dialect en verlevendigt de roman door de alledaagse woorden (‘kriekappeltjes’, ‘woekerkruiden’) en landelijke gebruiken, en door uitroepen in de indirecte rede: ‘God zij geloofd! ’t Zou deze week gedaan zijn.’ Bovendien schrijft zij in een beeldende en poëtische taal vol alliteraties: ‘vlijmende vernedering’, ‘de frisse fijnheid van de roos’.

Meer hierover
Verder lezen
omslag van Een revolverschot.