literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Nieuwe gedichten
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Nieuwe gedichten
M. Nijhoff, 1934

Na de bundels De wandelaar (1916) en Vormen (1924) kwam de dichter M. Nijhoff in 1934 met een bundel Nieuwe gedichten. Een prozaïsche titel, zou je kunnen denken. Elk volgend gedicht is immers nieuw? Toch is de titel ook programmatisch: het zijn nieuwe gedichten. In een strakke, klassieke vorm dicht Nijhoff nu eens niet over de verheven zaken waarmee poëzie, zeker de klassiek-gevormde poëzie, in de poëtische traditie zo was gaan samenvallen. En dat was nieuw: Nijhoff dichtte over heel alledaagse onderwerpen, waarbij hij die alledaagse dingen niet alleen een toverachtige lading wist te geven, maar ze vaak ook in verband bracht met het schrijven van poëzie.

Een van de gedichten uit de bundel is ‘Het lied der dwaze bijen’:

Een geur van hooger honing
verbitterde de bloemen,
een geur van hooger honing
verdreef ons uit de woning.

Die geur en een zacht zoemen
in het azuur bevrozen,
die geur en een zacht zoemen,
een steeds herhaald niet-noemen,

ried ons, ach roekeloozen,
de tuinen op te geven,
riep ons, ach roekeloozen
naar raadselige rozen.

Ver van ons volk en leven
zijn wij naar avonturen
ver van ons volk en leven
jubelend voortgedreven.

Niemand kan van nature
zijn hartstocht onderbreken,
niemand kan van nature
in lijve den dood verduren.

Steeds heviger bezweken,
steeds helderder doorschenen,
steeds heviger bezweken
naar het ontwijkend teeken,

stegen wij en verdwenen,
ontvoerd, ontlijfd, ontzworven,
stegen wij en verdwenen
als glinsteringen henen. –

Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
wij dwarrelen naar beneden.
Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
het sneeuwt tusschen de korven.

Een gedicht dat in heel alledaagse (maar zeer strak in het poëtische gelid gezette) bewoordingen een verhaal vertelt over een paar dwaze bijen, die door ‘een geur van hoger honing’ uit hun aardse woning werden weggelokt en daardoor in een sneeuwstorm omkomen – Nijhoff zou Nijhoff niet zijn als dat niet óók allegorisch gelezen kon worden. Je zou in de tot hoger honing geroepen bij een beeld kunnen zien voor het soort dichter waartegen Nijhoff zich in Nieuwe gedichten afzette: de dichter die zijn poëzie in het teken stelt van een zoektocht naar het metafysische. Nijhoff ziet niet waarom een dichter dat zou doen, het aardse verwaarlozen voor iets hogers waarvan het nog maar afwachten is of het wat brengt. Niet voor niets omschrijft Nijhoff het doel van de bijen in het gedicht steeds in opzettelijk vage bewoordingen: ‘Een steeds herhaald niet-noemen’, ‘raadselige rozen’, ‘het ontwijkend teeken’… De bijen zijn op weg naar iets hogers dat ze niet kunnen kennen, terwijl beneden op aarde de bloemen niet alleen zoet, maar ook tastbaar zijn. Zo zou ook de dichter er goed aan doen te schrijven over wat hem, hier op aarde en in het dagelijks leven, omringt. Nijhoff keert zich in Nieuwe gedichten af van bovenaardse aspiraties en hij bekeert zich tot het alledaagse leven, waarvan hij in prachtige gedichten als ‘Het veer’, ‘Het souper’ en ‘De wolken’ laat zien hoe toverachtig het is.

Verder lezen
Postzegel met het portret van Nijhoff, geschilderd door Ton Kelder.