literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Oeroeg
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Oeroeg
Hella Haasse, 1948

Op 26 februari 1948 verscheen het als boekenweekgeschenk en nog altijd wordt het veelgelezen: Oeroeg, het verhaal over de overgang van Nederlands-Indië naar Indonesië, over het einde van het Nederlandse koloniale tijdperk en het trauma dat dit verlies teweegbracht. Hella S. Haasse stuurde de novelle in onder het motto ‘Soeka Toelis’, Indonesisch voor 'ik houd van schrijven’. Het boekenweekgeschenk was destijds gegoten in de vorm van een wedstrijd: de beste inzending won de ‘novelleprijs’, uitgereikt door de nog altijd bestaande stichting ‘Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek’ (CPNB). In 1948 was de eer aan Hella S. Haasse. Oeroeg zou bijna vijftig keer worden herdrukt, zeven maal vertaald en, in 1993, worden verfilmd.

 

Oeroeg gaat over de vriendschap tussen een Nederlandse en een Javaanse jongen. Die wordt getekend door de koloniale verhoudingen waarin de twee opgroeien en door de spreekwoordelijke ‘koloniale blindheid’ van de Nederlandse ikfiguur, die deze ongelijke en discriminerende werkelijkheid niet onder ogen ziet. Hij is ervan overtuigd dat Oeroeg een vriend is zoals zijn Hollandse vrienden. Ondertussen weet Oeroeg al vanaf zijn vroegste jeugd dat hij, als ‘inlander’, een ‘ander’ is en dus vooral: een ondergeschikte. Want dat was één van de kenmerken van de koloniale maatschappij die bijna 350 jaar heeft standgehouden: daarin vormden de Nederlanders het bestuur, zij waren de autoriteiten, terwijl de Indonesiërs lagere functies bekleedden, niet hetzelfde onderwijs, of dezelfde rechten genoten. Terwijl Oeroeg van dit verschil het slachtoffer is en ertegen in opstand komt, is de Nederlandse ikfiguur zich er pas van bewust wanneer het eigenlijk al te laat is.

Deze climax wordt bereikt aan het slot van de novelle, wanneer de Hollandse jongen, na een verblijf in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, als soldaat terugkeert naar Indonesië, waar inmiddels de onafhankelijkheidsstrijd is uitgebroken. De missie van de ikfiguur is duidelijk, denkt hij: ‘orde’ en ‘recht’ te herstellen in zijn land van herkomst. Maar de om vrijheid vechtende Indonesiërs zijn een andere mening toegedaan: zij herkennen in hem de koloniale bezetter die in hun land niets meer te zoeken heeft.

Op patrouille in zijn vroegere geboortedorp staat de Nederlandse jongen plotseling oog in oog met een van die vrijheidsstrijders: zijn jeugdvriend Oeroeg. Of, is het slechts iemand die op Oeroeg lijkt?

Er viel een schaduw naast mij op de grond. Ik draaide mij om en zag een Inlander staan, in vuile khaki-shorts, met een hoofddoek van kainstof slordig geknoopt om zijn verward haar. Hij keek mij aan, met een felle, en toch blinde blik, en beduidde mij, dat ik mijn handen moest heffen voor de dreiging van zijn revolver. 'Oeroeg', zei ik, halfluid. De woudduif vloog klapwiekend op uit de bomen.
Ik weet niet hoe lang wij daar tegenover elkaar stonden, zonder te spreken. Ik verroerde mij niet, hij evenmin. Ik wachtte, maar zonder angst, in volkomen ontspanning. Het kwam mij voor dat dit het moment was waartoe alle gebeurtenissen, sinds de geboorte van Oeroeg en mij, onherroepelijk geleid hadden. Het was in ons gegroeid en gerijpt, buiten onze wil, buiten ons bewustzijn om. Hier was, voor het eerst, het kruispunt waarop wij elkaar in uiterste eerlijkheid konden ontmoeten.
Hij hief zijn wapen. ‘Ik ben niet alleen,’ zei ik, hoewel ik niet geloof dat het angst was die me daartoe dreef. Het liet mij werkelijk onverschillig of hij me neer zou schieten of niet. De uitdrukking van zijn gezicht veranderde niet, maar zijn wijsvinger ontspande zich rondom de trekker van de revolver, Ik concludeerde hieruit dat hij wel alleen was. ‘Ga weg,’ zei hij in het Soendanees, ‘ga weg, anders schiet ik. Je hebt hier niets te maken.’
(…)
Nog één ogenblik zag ik hem zo staan, tegen de donkere achtergrond van het bos. De stemmen van mijn tochtgenoten klonken niet ver weg, op het pad tussen de bomen. Ik keek om, maar hij was al verdwenen, ik weet niet in welke richting. De bladeren bewogen nauwelijks, ook de wind kon ze zo doen beven. Ik liep terug en voegde mij bij de patrouille. Was het werkelijk Oeroeg? Ik weet het niet en zal het ook nooit weten. Ik heb zelfs het vermogen verloren hem te herkennen.
(…)
Ik heb niet anders willen doen, dan een verslag neerschrijven van onze gezamenlijk doorgebrachte jeugd. Ik heb het beeld van die jaren willen vastleggen, nu zo spoorloos voorbij als waren zij niet meer geweest dan rook in de wind. Kebon Djatih is een herinnering, ook het Internaat, en Lida; Abdullah en ik gaan elkaar zwijgend voorbij, en Oeroeg zal ik nooit meer ontmoeten. Het is vermoedelijk overbodig toe te geven, dat ik hem niet begreep. Ik kende hem, zoals ik Telaga Hideung kende - een spiegelende oppervlakte. De diepte peilde ik nooit. Is het te laat? Ben ik voorgoed een vreemde in het land van mijn geboorte, op de grond, vanwaar ik niet verplant wil zijn? De tijd zal het leren.

Of deze vrijheidsstrijder daadwerkelijk Oeroeg was? De ikfiguur moet het antwoord schuldig blijven. Hij beseft dat hij al die tijd blind is geweest voor de werkelijkheid die hem en zijn vriend had omringd. Zelfs de natuur, het landschap van zijn kinderjaren, waarnaar hij in Nederland had terugverlangd, is hem vreemd en vijandig geworden. Het meer, Telaga Hideung, is angstaanjagend, evenals de ogen van Oeroeg, die net zo zwartglanzend als het water zijn. In datzelfde meer was jaren geleden Oeroeg’s vader Deppoh verdronken: hij redde de ikfiguur, nadat die van een vlot was geslagen doordat kennissen van zijn vader, die teveel gedronken hadden, hierop onnadenkend hadden rondsprongen. Zij hadden de waarschuwingen van Deppoh, hun ondergeschikte, in de wind geslagen. Vanaf dat moment zou Telaga Hideung een onheilsplek zijn, voor diegenen die hadden geweigerd te luisteren en zien. Juist bij deze plek dringt tot de volwassen ikfiguur een onherroepelijke waarheid door: niet Oeroeg, maar hijzelf was in dit land altijd een buitenstaander geweest: alleen de oppervlakte had hij gezien, de diepte had hij nooit gepeild.

 

In 1954 omschreef Hella S. Haasse het thema uit Oeroeg als volgt: ‘Wat heeft in mijn verhaal Oeroeg gestalte gekregen, behalve de herinneringen aan het land waar ik geboren ben? Misschien het verlangen naar het echte ‘Indische’ leven dat ik eigenlijk nooit gekend heb, en het heimelijke schuldgevoel ten aanzien van de Indonesische mens die ik in mijn jeugd heb aanvaard als décor, als vanzelfsprekend deel van de omgeving, maar die ik niet bewust heb gezien, al mag ik mij dan ook nog zoveel uiterlijke details herinneren.’

In Haasses laatste Indische roman Sleuteloog, uit 2002, komt deze problematiek opnieuw aan de orde. De hoofdpersoon daar constateert: ‘Ik weet dat ergens in mijn geheugen alle stukken te vinden zijn die samen een sluitend beeld van de waarheid vormen. Ik heb ze niet herkend, of ze niet willen zien, toen ze opdoken in de werkelijkheid van mijn leven.’ Met Sleuteloog sloot Hella S. Haasse haar Indische oeuvre af, waarin steeds opnieuw, in een andere vorm, de prangende vragen uit Oeroeg terugkomen. Het zijn vragen waarmee Haasse zelf worstelde, nadat zij in 1938 van haar geboorteland, Nederlands-Indië, afscheid nam. Met behulp van haar literaire werk, van Oeroeg tot en met Sleuteloog, zocht de schrijfster naar antwoorden en kon zij haar eigen koloniale trauma, van verlies en schuldgevoelens, verwerken.

Verder lezen
omslag van Oeroeg.