literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: De tienduizend dingen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
De tienduizend dingen
Maria Dermoût, 1955

De titel van Maria Dermoût’s grootste Indische roman is afgeleid van een regel van de zevende-eeuwse Chinese dichter Ts'ên Shên: ‘Wanneer de ‘tienduizend dingen’ gezien zijn in hun eenheid, keren wij terug tot in het begin en blijven waar wij altijd geweest zijn.’ Met dit motto heeft het boek een taoïstisch-filosofische basis, die aansluit bij het Indonesische thema: volgens Moluks gebruik wordt bij iemands overlijden over de honderd dingen gezongen waaraan de dode zal worden herinnerd. De hoofdfiguur uit De tienduizend dingen, Felicia, ‘mevrouw van Kleyntjes’, woont op een eiland in de Molukken, in een huis aan de binnenbaai. Daar luistert zij soms naar de oude heidense klaagzang. In het lied wordt alles opgesomd wat onafscheidelijk met de gestorvenen verbonden was: van de kleinste voorwerpen, de schelpjes van het strand, tot de mensen die hem, of haar omringden. Aan het eind van het boek ziet Felicia haar eigen ‘honderd dingen’ aan zich voorbij gaan:

‘Het witte Steentje uit de ‘mooie la’, haar kindje aan de hand; drie jonge mannen naast elkaar, Beertje, Domingoes, de Portugese matroos; het aardige kleine kind Sofie met de groene bètèt die zij haar gegeven had, haar kindermeisje dat zelf een kind was achter haar aan; een jonge Javaanse jongen tekende een prauw in de golven en hij heette Radèn Mas Soeprapto; een allerslankste Javaanse vrouw in een koetsiersjas met drie capes boven elkaar keek er naar, ‘Je hebt weer de ballast vergeten,’ zei zij – wie was zij? mevrouw van Kleyntjes kende haar niet, en waarom zij zij dat? – het Binongko-meisje van de bloemen zoog op haar bloedende lip en luisterde; op de Portugese werf aan de overkant werd aldoor getimmerd; de drie kleine meisjes, de echte, stonden op een rij, zij hadden de Slangesteen in de hand waarop de Heer Jezus stond, het mes van de matroos, en Marregie hield het ‘posthoorentje’ klaar om op te blazen; gekleurd koraal, vissen, krabben, de drie jonge zeeschilpadden; de Voordanseres met de Schelp, de witte ‘Doeckhuyve’ hoog omhoog in het maanlicht, vogels, vlinders.
De ooievaar, de vogel Lakh-Lakh met zijn lange snavel en vuurrode poten was er, en de briezende jonge leeuwen; tussen hen in zat het jongetje Himpies op zijn mat en keek toe met zijn grote verrukte ogen, en overal de kleine zilveren golven, en een stem zei langzaam met lange tussenpozen van ver weg: de baai – de binnenbaai – je zult toch – nooit – de binnenbaai – vergeten – o ziel – van - ?
Wat gebeurde er met haar, ging zij dood, waren dit haar ‘honderd dingen’?
Zij zat rustig in haar stoel, het waren ook geen honderd dingen, veel meer dan honderd dingen, en niet alleen van haar, honderd keer ‘honderd dingen’, naast elkaar, los van elkaar, elkaar rakende, hier en daar in elkaar vervloeiende, zonder ergens enige binding, en tegelijkertijd voor altijd met elkaar verbonden…
Een verbondenheid die zij niet goed begreep; dat hoefde niet, het viel niet te begrijpen, haar voor een ogenblik gegeven om te aanschouwen boven het maanverlichte water.
Zij had niet gemerkt dat Sjeba en haar man Hendrik de koeherder, om het huis heen waren komen lopen en nu links en rechts van haar stoel stonden.
‘Waarom komt u niet slapen?’ vroeg Sjeba brommerig en tegelijk bezorgd en zij schudden beiden hun hoofden over haar. ‘Waarvóór zit u hier? De maan schijnt mooi, maar wat heeft een mens eraan, hij wordt er maar ziek van! Er is versgezette koffie in de keuken en komt u nu maar.’
Toen stond mevrouw van Kleyntjes die Felicia heette, gehoorzaam op uit haar stoel, en zonder meer om te kijken naar de binnenbaai in het maanlicht – die bleef daar wel, altijd – liep zij met hen onder de bomen door mee naar binnen om haar kopje koffie te dingen en om opnieuw te proberen verder te leven.’

In het fragment staan opvallend veel verwijzingen naar stenen en schelpen – de ‘Slangesteen’, het ‘posthoorentje’, de witte ‘Doeckhuyve’ – waarvan Maria Dermoût de afbeeldingen had gezien in het boek D’Amboinsche Rariteitenkamer van Georg Everhard Rumphius (1627-1702). Met De tienduizend dingen bracht de schrijfster een literaire hommage aan Rumphius: de roman wemelt van de citaten en verwijzingen naar zijn wetenschappelijke werk over de flora en fauna van Ambon en de dichterlijke namen die de professor aan zijn vondsten gaf, zoals de ‘Kokospalm van de Zee’, de ‘koralen vrouw’ en het ‘besaantje’ (een soort kwalletje). Dermoût verweefde Rumphius’ werk met het hare en baseerde zelfde een personage op hem: de Schotse professor McNeill, net zo briljant en bevlogen als Rumphius en bijna blind, zoals de Duitse wetenschapper was. McNeill doet onderzoek naar de planten op de Molukken, maar sterft, op een ongelukkig moment, als hij met zijn botaniseertrommel door de Binongko’s (inheemse bewoners) overvallen wordt.

De tienduizend dingen is opgedeeld in zes hoofdstukken, die los van elkaar lijken te staan en niet meer dan een sfeer lijken op te roepen: van de mensen, dieren en dingen op het eiland, de natuur met haar planten, de zee met haar schelpen, en van oude mythes en overleveringen. Maar ondertussen hangen de zes losse verhalen met elkaar samen; bovendien vindt in elk hoofdstuk een gewelddadige dood plaats. De vermoorden – Felicia’s zoon Himpies, de posthouder en de meid Constance, de Schotse professor, en de drie meisjes – verenigen zich in het laatste hoofdstuk, getiteld ‘Allerzielen’, waarin ‘mevrouw van Kleyntjes’ hen herdenkt. Op het strandje voor haar huis vindt een ontmoeting met de dode zielen plaats, alsof zij nog in leven zijn. Tegelijkertijd verschijnen ook de moordenaars, voor wie Felicia opeens geen woede meer voelt, slechts medelijden, ‘alsof zij niet de moordenaars waren maar ook de mee vermoorden’. Eén voor één komen zij op bezoek, en Himpies, die Tweede Luitenant bij een Garnizoen was, verzekert zijn moeder dat hij niet vermoord is, maar gesneuveld. Net als in het gedicht van Ts’ên Shên komt hiermee, aan het slot van De tienduizend dingen, alles bij elkaar – het verleden en het heden, de doden en de levenden. Dit visioen duurt de hele nacht, waarna de bedienden Felicia naar de werkelijkheid terugroepen: een nieuwe dag begint en met een gerust hart kan zij weer verder leven.

Verder lezen
Maria Dermoût met haar echtgenoot te Pati (Java), 1906.