literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Gedichten
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Gedichten
C.B. Vaandrager, 1969

Vaandrager heeft schijt aan poëzie. Zo stond het tenminste op de flaptekst van zijn eerste bundel Gedichten uit 1969. Het is een zonder meer provocerende uitspraak. Deze schrijver heeft ‘schijt’ aan de ernst waarmee poëzie doorgaans omgeven wordt en aan het verheven, elitaire karakter ervan. Hij vermeldt daarom ook nog op zijn bundel dat zijn vader maar een eenvoudige postbode was. Zelf is hij geen jongen die graag moeilijk doet: zijn poëzie is gewoon ‘uit het leven gegrepen’ en herkenbaar voor iedereen. Het volgende gedicht, bijvoorbeeld, dat slechts twee regels heeft:

De kroketten in het restaurant
zijn aan de kleine kant.

Een versje als dit doet een beetje denken aan het werk van plezierdichters, ook omdat het de poëzie opzichtig niet helemaal serieus neemt. Dat zie je bijvoorbeeld aan het wat kreupele rijm: ‘kant’ rijmt immers alleen maar op ‘restaurant’ wanneer je dat laatste woord opzettelijk on-Frans uitspreekt. Ook inhoudelijk is dit geen erg ‘serieuze’ poëzie, en het wordt er niet ernstiger op wanneer je je realiseert dat de titel van de reeks ‘In Madurodam’ luidt. Toch stond dit weinig pretentieuze, grappige gedichtje helemaal alleen op de pagina. Net zoals al even korte versjes als deze: ‘Als de Chinezen / niet zo goed konden kezen / dan zouden er niet zoveel Chinezen wezen’. Of: ‘Verkoopster: Zal ik het prijsje er af halen? / Klant: Nee, laat u het prijsje er maar opzitten.’

Het is niet eenvoudig over korte tekstjes als deze iets (diep)zinnigs te zeggen. Het zijn vaak clichés (‘Tijd zal het leren. / Tijd heelt alle wonden. / Tijd is geld.’) of beschrijvingen van volstrekt alledaagse taferelen, en de humor is vaak nogal plat (‘Er gaan 12 domme blondjes in een dozijn / en 144 in een gros.’) Over dit laatste tweeregelige gedichtje kun je eigenlijk alleen maar zeggen dat het waar is. Erg bevreemdend of verrassend is de inhoud ervan niet. Maar geestig is het wel. Ook bijvoorbeeld dit gedicht:

Daar gaat een neef van me, Arie.
Geen volle neef eigenlijk, Arie.
De moeder van Arie ging wel eens vreemd
omdat mijn oom het niet kon maken.
Ze ging met Chinezen mee,
wat opschudding verwekte, en Arie. Er was geen weghalen aan, aan Arie.‘Ha die Arie, hoe is het met jóu?’

Wat was het effect van deze provocatief eenvoudige, hyperrealistische poëzie? Er waren critici die wat verveeld de schouders ophaalden. Was dit serieuze poëzie, werd de recensent geacht hieraan zijn tijd te besteden? Maar er waren ook critici bij wie de provocatie wél werkte. Zij ergerden zich aan het ogenschijnlijke gebrek aan ambitie van deze dichter (wat heeft deze man mij nou te zeggen?) en aan het gebrek aan kritische zin. Deze dichter mocht dan begaan zijn met het alledaagse leven, hij scheen zich op geen enkele manier met dat alledaagse leven te engageren. Wat hij doet, meende de toen toonaangevende criticus Kees Fens, is ‘conventionaliteit met conventionaliteit uitdrukken’, en dat ‘is gelijk aan nul’.

Hoe ‘licht’, humoristisch en pretentieloos de poëzie van Vaandrager ook was, ze heeft wel degelijk bijgedragen aan een verandering van het literaire klimaat in de jaren zestig. Ze heeft – samen met het werk van collega-Zestigers Hans Verhagen en Hans Sleutelaar –, ondanks de ernstige, verheven manier van spreken over poëzie die sinds de Romantiek zo dominant is geweest, weer ruimte gemaakt voor een meer alledaagse poëzie. Een poëzie waarin elementen te herkennen zijn uit de massacultuur van dat moment.

Verder lezen
Een ander bekend werk van Vaandrager.