literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Kinderjaren. Een novelle
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Kinderjaren. Een novelle
Jona Oberski, 1978

‘Ik schrok wakker en de sirene loeide. De vorige keer dat de sirene geloeid had, moesten wij onder ons bed kruipen. Er was weinig plaats. Brommend vloog er een vliegtuig over. Mijn buik bromde mee.’ Dit is een passage uit de novelle Kinderjaren (1978) van Jona Oberski. In dit korte stukje vallen al direct een paar dingen op die kenmerkend zijn voor het boek. Je ziet dat het om een oorlogssituatie gaat. De manier waarop deze situatie beschreven wordt, is anders dan in veel andere oorlogsromans. De zinnen zijn erg kort en de taal is eenvoudig, zoals die van een kind. In Kinderjaren kijk je dan ook door de ogen van een vijf- of zesjarige joodse jongen naar de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog.

Kinderjaren is het debuut van Jona Oberski, waarin hij zijn eigen ervaringen als kind in de Tweede Wereldoorlog verwerkte. Lange tijd was dit ook zijn enige werk. Pas in de jaren negentig kwamen twee andere romans van Oberski uit, maar deze hebben nooit het succes behaald dat zijn debuut wel kreeg. In Nederland beleefde het boek inmiddels de zesentwintigste herdruk. Niet alleen in Nederland werd Kinderjaren goed ontvangen, maar ook in het buitenland was men enthousiast. In 1993 is het boek verfilmd onder de titel Jonah Who Lived in the Whale.

Het succes van Kinderjaren heeft te maken met verschillende dingen. Vooral het perspectief en de stijl waarin het geschreven is, maken het boek zo bijzonder. Het leven in een concentratiekamp wordt beschreven door een kind, dat niet goed begrijpt wat er precies aan de hand is. In eenvoudige taal vertelt de jongen wat hij meemaakt, zonder de gebeurtenissen verder te interpreteren. De lezer van nu weet wél wat er gaande was, waardoor de kinderlijke beschrijvingen van het concentratiekamp extra schrijnend en indrukwekkend zijn. In recensies over Kinderjaren is wel opgemerkt dat de stijl waarin het boek geschreven is, niet per se die van een kind is. Kinderen zijn vaak fantasievol en bedenken er juist van alles bij. In Kinderjaren vertelt de hoofdpersoon alleen het hoognodige. Misschien is deze stijl voor een overlevende juist de enige manier om de gruwelijkheden van de concentratiekampen te verwoorden.

Een andere verklaring voor de enorme populariteit van het boek is het werkelijkheidsgehalte. Hoewel de schrijver altijd benadrukt heeft dat Kinderjaren fictie is, vallen de autobiografische kenmerken niet te ontkennen. Tegelijkertijd zijn de personages in het boek ook zo algemeen, dat Kinderjaren ook het verhaal zou kunnen vertellen van elk ander kind dat in een concentratiekamp heeft gezeten. Net zoals het dagboek van Anne Frank symbool staat voor de verhalen van alle joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten onderduiken.

Ik ging terug naar de andere deur en deed hem weer open. Ik liep naar binnen en stapte over het voorste lichaam heen. Ik klom op de stapel en keek in het bovenste lakenpak. Ik zag alleen een arm. Ik begon het laken los te maken. Buiten hoorde ik ze schreeuwen. Ik trok de arm eruit. De hand leek op die van mijn vader. Ik rukte aan het laken totdat ik het hoofd kon zien. Het hoofd was zwart van de baard. Ik liep van de stapel af en zag aan de zijkant een gezicht. De ogen waren zwart. De wangen mager. De baard kort, zoals van mijn vader. De neus leek er ook op. Ik keek naar de handen. Zij leken op die van mijn vader. Maar het lichaam leek helemaal niet op dat van mijn vader.
Iemand pakte mij vast en trok mij mee. ‘Ben jij gek geworden? Wil jij doodgaan? Het is heel gevaarlijk. Kom mee. Wij roepen al uren dat je er uit moet komen. Ik zei dat ik mijn vader zocht en dat ik de deur toch niet had opengekregen. ‘Jouw vader is hier niet,’ zei de jongen. Hij trok mij mee naar buiten, smeet de deur dicht en zei dat ik moest wegrennen.
Verderop kwamen wij bij de andere kinderen. Eén van de meisjes zei: ‘Jouw vader zit niet eens in een laken.’ Ik zei dat hij wel in een laken zat en dat ik het zelf gezien had. Zij zei dat zij het ook zelf gezien had en dat het niet waar was. De jongen die mij had meegenomen zei dat mij vader daar helemaal niet lag, maar toen de anderen hoeèèè riepen en zeiden dat hij zeker bang was geworden, zei hij dat hij het maar zei omdat ik nog zo klein was. Ik zei dat ik groot was, dat ik heus wel wist dat mijn vader daar lag en dat ik hem in het laken gezien had en dat ik hem wel zou aanwijzen aan wie het wilde. Maar niemand wilde.
Het meisje zei: ‘Als je het dan allemaal best weet, zeg dan eens wat ze doen met de lijken.’ Ik zei dat ik dat ook best wist, maar dat ik het niet zou vertellen omdat ik gedaan had wat ik had moeten doen en omdat de proef nu afgelopen was. En als zij het wilde weten, zou ik het haar wel vertellen als zij mee naar binnen zou gaan. Maar dat wilde zij niet en de kinderen riepen hooèèè tegen haar. Daarna liepen wij door en ik mocht bij de groten blijven.

In het bovenstaande fragment zie je een belangrijk thema van het boek terug: het kind-zijn en het moment dat je geen kind meer bent. Aan het begin van Kinderjaren is de hoofdpersoon een kleine jongen die steeds troost kan zoeken bij zijn ouders. In het concentratiekamp mag hij eerst niet met de grote kinderen meespelen, want hij is nog te klein. Dan sterft zijn vader. De grote kinderen zien hem nu niet meer als klein kind en hij mag meespelen, mits hij een proef aflegt: hij moet het ‘ketelhuis’ binnengaan. De jongen heeft het alleen verkeerd verstaan, het is niet het ‘ketelhuis’ maar het ‘knekelhuis’.

Verder lezen
omslag van Kinderjaren.