literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Nathan Sid
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Nathan Sid
Adriaan van Dis, 1983

Nathan Sid is het verhaal van een jongen die opgroeit tussen twee culturen: het na-oorlogse Nederland waarin hij geboren wordt en het vooroorlogse Indië waarin hij werd verwekt. Tussen zijn familieleden voelt Nathan zich een buitenstaander: zijn vader, ex-KNIL-militair, moeder en stiefzusjes hebben de oorlog in een Japans krijgsgevangenkamp meegemaakt: in hun leed kan hij niet delen. Nathan’s zusjes zijn bruin, maar hijzelf is wit. Vader Sid lijdt aan een oorlogstrauma en voedt zijn zoon op met harde hand én liniaal. De relatie tussen Nathan en zijn vader is het belangrijkste onderwerp van de novelle. Nathan Sid is een boek over de verhoudingen tussen eerste en tweede generatie Indische Nederlanders en over de moeilijkheden die beide generaties in hun nieuwe vaderland ondervinden. Hiermee raakt het aan actuele thema’s over afkomst en identiteit, discriminatie en integratie – waar hoor ik bij en in welk land hoor ik thuis?

De familie Sid leeft in een repatriantenhuis aan zee, met afgedankte meubelen, Rode Kruis-dekens, Indische mensen, Maleise woorden en Oosterse geuren. Adriaan van Dis (1946) groeide op in eenzelfde huis in Bergen aan Zee, met zijn drie Indische halfzusjes, vader, moeder en enkele andere repatriantenfamilies. Nathan Sid is gebaseerd op Van Dis’ eigen jeugdherinneringen. De novelle kwam voort uit een kookrubriek in NRC Handelsblad, waarin de auteur schreef over de maaltijden van vroeger: de Hollandse aardappels van zijn moeder versus de Indische rijsttafels van zijn vader. Deze krantencolumns werden tot een boek bewerkt, Nathan Sid werd het best verkochte debuut van 1984.

Nathan was er nooit geweest, maar wel gemaakt. Zijn zusters waren er geboren, net als zijn vader en veel van zijn ooms en tantes. Indië was overal in huis.
Zijn moeder wapperde het bed schoon met een sprietige sapu lidi en zei bulzak tegen de matras. Je lichaam was een body. Op de met batik afgedekte hutkoffer tegenover zijn bed speelde hij vaak met benen vogels, een opgezette slang, bambu fotolijstjes en Balinese vrouwenbustes die altijd glimlachen in glanshard hout. Nathans vader stond daar zwaaiend in een witte korte broek en de in de oorlog doodgeschoten vader van zijn zusters droeg een plusfour met verband om zijn kuiten, poeties noemde zijn moeder dat. Die andere vader leek op die foto’s veel bruiner dan de zijne.
Op de schoorsteen lag een kris, versierd met plakjes Djokja-zilver. In de keuken hingen bolle koekepannen waar alleen Pa Sid mee bakte. Nathans moeder kookte Hollands, uit de torenhoog in elkaar passende aluminium pannetjes die zo heet werden dat je er gauw je vingers aan kon branden. Ze waren gesmolten uit neergestorte oorlogsvliegtuigen. Het Australische Rode Kruis had ze na de oorlog zelf aan zijn moeder gegeven, samen met de grijze dekens. Die vond Nathan ook zo dun. Maar zijn moeder zei dat je er blij mee moest zijn. Na de bevrijding had zij nog maar één broek, één koffer en een vals gebit van het slechte kampeten. Zelfs het tafelzilver moest zij in haar Sumatraanse tuin begraven achterlaten. Als Nathan groot was zou hij het opgraven.
Alleen Pa Sid kon in Holland Indië tot leven geuren. Nathans moeder kookte altijd ‘gezond’ en at het liefst haar voor eeuwig ingezouten snijbonen. Maar als Pa Sid bakte rook het hele huis naar zoet en zout. Zijn rempèjèh klonterde zo dik al seen gestolde spons en zijn spekkoek telde zoveel dunne laagjes dat je een punt alleen maar dwars kon happen.
’s Zomers liet hij de rijst dagen zwellen tot een zoete kleffe pudding. Werd het satéoventje met staalwol opgepoetst, dan kwamen Pa Sids zusters met hun mannen. Tante Pop en tante Zus maakten altijd veel lawaai. Hun gouden armbanden klengelden tegen de houten stoelleuningen en hun rrr-en rolden harder dan Nathan ooit bij zijn vader had gehoord.

    Sapu lidi = kleine bezem
    Rempèjèh = pinda’s in gebruid meelbeslag

 

In latere romans en dichtbundels, waaronder Indische duinen (1994), Op oorlogspad in Japan (2000), Familieziek (2004), Totok I (1996) en Totok II (2008), herhaalde Van Dis de thematiek van zijn debuut: de tragiek van een door de oorlog getekende vader, het conflict tussen eerste en tweede generatie Indische migranten – een verscheurd repatriantengezin - en het verhaal van de buitenstaander die tussen twee werelden leeft, maar zich noodgedwongen moet aanpassen. De verzamelbundel De Indische boeken, met daarin een herziene versie van Nathan Sid, verscheen in 2002.

Verder lezen
Adriaan van Dis. Foto: Chris van Houts.