literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
Iedereen zijn eigen hokje: Literatuur en verzuiling

‘Gifbloemen’ noemde een recensent de moderne poëzie aan het einde van de negentiende eeuw. In een recensie, in het tijdschrift De Katholiek, besprak hij een bundel van priester-dichter Meurs. Zijn gedichten vielen zeer in de smaak bij de recensent: ‘geen nieuw-modische gifbloemen, fleurs du mal, van de cultuur fin de siècle; geen orchideeën of chrysanthemums met haar scherpe kaslucht. Die werden even onverbiddelijk geweerd als de slaapverwekkende papaver, hoe pretentieus hoogrood ze ook op haar langen steel moge pralen.’ Deze recensie bevatte dus een scherpe afwijzing van poëzie die zich had losgemaakt uit traditionele maatschappelijke en religieuze banden. Die poëzie was misschien wel mooi, maar gevaarlijk.

Negen jaar na de doorbraak van de Tachtigers was het verzet tegen de moderne literatuur dus nog springlevend. In dat verzet hadden katholieke en protestants-christelijke schrijvers en critici een belangrijk aandeel. Om de eigen positie in de samenleving te versterken, bouwden katholieken en calvinisten vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw hun eigen netwerken. De socialisten volgden korte tijd later. Elk van deze zogenaamde ‘zuilen’ richtte zijn eigen verenigingen, vakbewegingen, scholen, uitgeverijen, kranten en tijdschriften op.

De sporen van deze verzuilde cultuur zijn nu nog steeds zichtbaar in bijvoorbeeld de organisatie van de publieke omroep. Ook de literatuur raakte verzuild. Zo was er een voortdurende strijd over de vraag of literatuur dienstbaar moest zijn aan maatschappelijke en religieuze belangen, of een eigen, ‘autonome’ waarde had.

In de periode tussen 1880 en 1920 moesten verzuilde tijdschriften een houding bepalen over het werk van de Tachtigers. Tussen 1920 en 1940 – toen de verzuiling een hoogtepunt beleefde – trachtten katholieke en calvinistische groepen een eigen literaire koers uit te zetten, onder andere door zich te oriënteren op buitenlandse geestverwanten. In het interbellum probeerden vooral katholieke schrijvers en critici als Jan Engelman en Anton van Duinkerken het debat naar hun hand te zetten.

Maar na de Tweede Wereldoorlog verloor het katholicisme snel zijn greep op het georganiseerde literaire leven. Terwijl de protestants-christelijke literaire cultuur zich met eigen tijdschriften, uitgeverijen en verenigingen tot op de dag van vandaag handhaaft (zoals onder andere blijkt uit het bestaan van het Christelijk Literair Overleg: www.chroom.net/clo), kozen katholieke schrijvers als Michel van der Plas, Godfried Bomans en later Frans Kellendonk voor het vrije veld van de literatuur buiten de oude ‘zuil’.

Verder lezen