literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
Literaire tijdschriften

Mensen beweren nogal eens dat we in een bestsellercultuur leven. De media, vinden zij, besteden alleen maar aandacht aan literatuur wanneer het gaat om boeken die in enorme aantallen over de toonbank gaan. Zelfs de literaire critici in de krant zouden hun oren laten hangen naar de markt: wat niet verkoopt, is niet de moeite waard.

Als dit al waar is, is het zeker niet altijd zo geweest. De boeken die we nu als toonaangevend beschouwen in de geschiedenis van de literatuur van de afgelopen twee eeuwen waren zelden bestsellers. Veel belangrijke vernieuwingen in de literatuur sinds de Romantiek vonden zelfs plaats in tijdschriftjes met oplagen van hooguit enkele honderden exemplaren. Allerlei kleine, onafhankelijke, vaak onaanzienlijke en soms onooglijke blaadjes blijken achteraf voorname broedplaatsen te zijn geweest van talent. Dáár hebben nagenoeg alle grote auteurs van de negentiende en twintigste eeuw zich voor het eerst gemanifesteerd, al was het maar voor een klein publiek.

Juist de zelfbewuste keuze van uitgevers en redacties voor dat kleine publiek is een van de charmes van het literaire tijdschrift. Het lijkt in niets op de glossy magazines die in kiosk of supermarkt liggen. Het heeft bijvoorbeeld voor adverteerders geen enkele zin hun nieuwe auto’s, wintermode of parfums in een literair tijdschrift aan te prijzen. Het voordeel daarvan is dat redacties van literaire tijdschriften zich ook niets aan de smaak van de auto-, wintermode- of parfumverkopers en hun klanten gelegen hoeven te laten liggen. Dit maakt literaire tijdschriften tot de vrijplaatsen voor het tegendraadse experiment, waar de geest van de vernieuwing vrijuit kan waaien, compromisloos en subjectief. De nieuwe gids, Het getij, Het overzicht, De stijl, Forum, Podium, Braak, Blurb, Barbarber: allemaal tijdschriften die gelden als etalages van de avant-garde, als scharnierpunten in de literaire ontwikkeling.

Voor jonge schrijvers is hun debuut in een literair tijdschrift van oudsher een enorme mijlpaal in hun literaire carrière. In 1972 schreef Gerrit Komrij er zijn gedicht ‘De dichter’ over:

Toen het letterkundig tijdschrift
Hem een briefje toe deed komen,
Waarin stond: ‘Mijnheer, uw verzen
Waren lang niet slecht, we zullen
Er eerdaags een paar van plaatsen,’
Zwol zijn borst tot slagschiphoogte.
Heel zijn leven werd nu anders.
Hij ging doen alsof hij grote
Mensen hoogstpersoonlijk kende.
Hij zei stad wanneer jij blad zei.
Hij zei held wanneer jij speld zei.
Hij zei ach wanneer jij dag zei.
En daarvan wilde hij leven!

Je kunt, zoals vaker bij Komrij, in dit gedicht de ironie en de spot nauwelijks missen. Enerzijds bevestigt het gedicht de grote betekenis van de eerste tijdschriftpublicatie voor een beginnend schrijver – pas als het je gelukt is in het literaire tijdschrift binnen te dringen, krijg je toegang tot het verheven domein van de literatuur –, maar tegelijkertijd wordt het enthousiasme van de jonge schrijver natuurlijk óók een beetje belachelijk gemaakt.

Wat kan Komrij er in 1972 toe gebracht hebben de spot te drijven met het ‘letterkundig tijdschrift’ en met de literaire fantasieën van zijn (over)enthousiaste debutant? Misschien bedoelde Komrij wel te suggereren dat het romantische cliché van de jonge, ambitieuze literaire auteur en zijn zo vurig verlangde tijdschriftdebuut zo langzamerhand wat achterhaald was.

Daar zou wel iets voor te zeggen zijn. Wie de Nederlandse literaire tijdschriften van De nieuwe gids (het tijdschrift van de Tachtigers, opgericht in 1885) tot Barbarber (het tijdschrift van de Zestigers, opgericht in 1958) naast elkaar legt, ziet opmerkelijke veranderingen in de wijze waarop ze zijn uitgegeven. Aan een nummer van De nieuwe gids zie je niet onmiddellijk af dat het een klein avant-gardetijdschrift was met een paar honderd lezers. Barbarber, daarentegen, lijkt uiterlijk sterk op de schoolkrant van vóór de personal computer: in de lengte gevouwen stencils, met twee nietjes bijeen gehouden. Zo was het goedkoop te maken en waren er geen geldschieters nodig die zich tegen de inhoud aan zouden bemoeien.

Technologische innovatie (vereenvoudiging van het reproductieproces van teksten) had mogelijk gemaakt dat een stel onvermogende jongeren op eigen houtje een tijdschrift deden verschijnen. Barbarber was dan ook zeker niet het enige tijdschrift dat omstreeks 1960 op deze wijze gemaakt en verspreid werd. Nu nog weer eens een halve eeuw later iedereen de beschikking heeft over pc’s en laserprinters, is het tijdschriftenlandschap nóg bonter geschakeerd: Nymph, Lava, Liter, Krakatau, Tortuca, De zingende zaag, Opus 0, Jijjajij, Mondzeer en de reuzenkreeft, Passionate, Woordwerk – het aantal kleine literaire tijdschriften dat in de laatste jaren geheel of gedeeltelijk eigenhandig geproduceerd werd, is overweldigend. En dat roept uiteraard meteen de vraag op of dat allemaal nog werkelijk als avant-garde gekwalificeerd kan worden.

Door de computer kon ineens iedereen een hemelbestormende avant-gardedichter zijn, zodat ‘de diversiteit tot eenvormigheid is verdroogd’, zoals Nobelprijswinnaar Octavio Paz het uitdrukte. Auteurs met avant-gardistische ambities moeten dus iets anders zoeken. Een van de nieuwe wegen die zij zouden kunnen bewandelen, is de digitale snelweg. Iedereen kan zijn eigen website maken, waarmee na drukker en stencilmachine ook de laserprinter overbodig is geworden voor wie zich tot het (lees)publiek wil richten. Op het eerste gezicht heeft de explosie van het aantal literaire periodieken, etalages en podia zich sinds de introductie van internet inderdaad in verhevigde mate voortgezet. Wat is er in cyberspace momenteel allemaal aan Nederlandstalige poëziesites beschikbaar? Het zijn niet zozeer veel tijdschriften (e-zines), als wel nieuwsbrieven en weblogs met nieuws over literatuur en afzonderlijke sites waarop literair werk aan te treffen is.

Verder lezen