literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
Literatuur voor de rechter

Wat hebben rechtspraak en literatuur met elkaar te maken? Op het eerste gezicht niets, maar dat is maar schijn. Zo gaan romans zo nu en dan over juridische kwesties, zoals Het Been van Willem Elsschot. Net als de makers van rechtbank-series hebben schrijvers in de gaten dat daar heel wat drama te halen valt. Ook zijn er nogal wat juristen die ook literair auteur zijn, zoals J.C. Bloem en F. Bordewijk. Er zijn zelfs schrijvers die terecht hebben moeten staan wegens moord en daarover hebben geschreven, zoals de dichter Gerrit Achterberg.

Maar literatuur belandt vooral in de rechtszaal bij discussies over de inhoud van literaire werken, bijvoorbeeld over de vraag of een tekst als pornografisch moet worden beschouwd. Soms zijn er ook mensen die zich door een tekst beledigd of gediscrimineerd voelen. Soms leiden deze discussies tot processen.

Een veel voorkomende aanleiding voor een proces is de verdenking van plagiaat. Iemand zou dan een idee of een stuk tekst hebben overgenomen en zo ‘het auteursrecht’ van een schrijver hebben geschonden. Zo verschenen er rond 1980 pornografische stripboeken die waren gebaseerd op Suske en Wiske of Asterix en Obelix. De echte auteurs of uitgevers van die stripboeken voelden zich daardoor benadeeld.

De meeste plagiaat-affaires, vooral die over de ‘hogere’ literatuur, zijn echter in de media uitgevochten. Recensenten wijzen er dan op dat een schrijver of dichter het werk van anderen heeft gebruikt. Ina Boudier-Bakker werd bijvoorbeeld aangeklaagd wegens plagiaat. Menno ter Braak vond dat de schrijfster in haar historische roman Vrouw Jacob (1935) ten onrechte de bron waaruit zij haar citaten had gehaald nergens noemde. De schrijfster echter meende dat een auteur van dit genre de bron van de gebruikte teksten niet hoeft te vermelden.

Een recenter voorbeeld is A.F.Th. van der Heijden. Die heeft in Het Hof van Barmhartigheid en Onder het plaveisel het moeras (1996) zijn bronnen wel genoemd, maar daar te rijkelijk uit geput volgens sommigen. Een deskundige besloot vervolgens dat er geen auteursrecht was geschonden; zo kwam de zaak nooit voor de rechter.

Een andere manier om de rechtzaal te vermijden, is het instellen van een commissie. De strijdende partijen aanvaarden dan de conclusies die zo’n commissie op grond van onderzoek trekt. Een dergelijke commissie werd in het leven geroepen toen Jef Last ervan werd beschuldigd plagiaat te hebben gepleegd bij het schrijven van zijn roman Partij Remise (1934).

Er zijn echter nog andere redenen waarom iemand een beroep kan doen op het auteursrecht. Dat bewijst de kwestie rond de door Gerrit Komrij in 1979 uitgegeven bloemlezing De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten. Een aantal dichters, ook wel aangeduid als Vijftigers, probeerde in een proces kenbaar te maken dat hun werk ten onrechte in deze bloemlezing was terechtgekomen. In feite ging het hun echter om iets anders. Volgens hen had Komrij met zijn bloemlezing een vertekend beeld van de poëzie van de Vijftigers geleverd.

Een proces kan ook worden aangespannen omdat iemand meent dat een literair werk aanstotelijk is voor de eerbaarheid. Het kan ook gaan om het krenken van religieuze gevoelens, het beledigen van mensen of hele bevolkingsgroepen. Op dit soort kwesties is het strafrecht van toepassing. De meest bekende processen in Nederland na 1945 waren die tegen Gerard Reve (Nader tot U, 1966-1968), W.F. Hermans (Ik heb altijd gelijk, 1952) en Han B. Aalberse (Bob en Daphne-reeks, 1955-1965). Bob en Daphne zou pornografische passages bevatten. De schrijver kreeg daarvoor een geldboete. Hermans zou in zijn roman het katholieke volksdeel hebben beledigd. Hij verweerde zich tegen dit verwijt door een beroep te doen op de autonomie van de literaire tekst: een auteur kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor de opvattingen van een romanpersonage. Reve werd ten laste gelegd dat hij in een passage van zijn literaire werk – daarin heeft iemand seks met een in een ezel veranderde god – godslastering zou hebben gepleegd. In zijn verweer betoogde de schrijver dat hij niet de bedoeling had gehad God te beledigen, maar een eigen godsbeeld had willen creëren. Zo werd Reve vrijgesproken.

In deze processen kijkt men vooral naar de tekst zelf. Een uitspraak in een literaire tekst waarvan iemand meende dat deze beledigend of kwetsend was, moet in zijn context worden bekeken. Als zo’n tekstpassage een acceptabele bedoeling heeft binnen de hele tekst, zou van rechtsvervolging moeten worden afgezien, luidde de opvatting. Dat gebeurde bijvoorbeeld in het geval van Hermans.

In uitzonderlijke gevallen, zoals in het Ezel-proces van Reve, kijkt men ook naar de bedoelingen van de schrijver. Als de schrijver niet de bedoeling had iemand te kwetsen, is de belediging geen strafbaar feit. Dit soort argumenten, waarbij niet de tekst maar de bedoeling van de auteur de doorslag geeft, zijn echter wel uitzonderingen in de rechtspraak.

Intussen zijn de rechtszaken waarbij literatuur in het geding is, gewoon doorgegaan, zowel in Nederland als in België. In 1993 was er een proces tegen Theo van Gogh, die was aangeklaagd omdat hij in een verhaal de joden zou hebben beledigd. In 2000 spande de ex-vrouw van cabaretier Hans Dorresteijn een kort geding aan waarin zij een verbod eiste op de autobiografische roman Finale Kwijting, omdat het volgens haar in dit boek om een afrekening met haar gaat. De president van de rechtbank in Amsterdam oordeelde anders. Volgens hem wordt het boek duidelijk als een roman gepresenteerd, waarin de schrijver met alles en iedereen, niet in de laatste plaats met zichzelf, de spot drijft. Uit die uitspraak blijkt maar weer dat het niet zo eenvoudig is om een roman door de rechter veroordeeld te krijgen.

Meer hierover
Verder lezen