literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
Literatuur in de media

Alle serieuze kranten hebben boekenbijlagen of -katernen. Maar dat niet alleen: ook de Nederlandse radio en televisie heeft van meet af aan aandacht besteed aan de literatuur. Nog geen jaar nadat in Nederland de AVRO werd opgericht, stond de omroep radio-spreektijd af aan dr. P.H. Ritter jr., die niet alleen talloze recensies uitsprak in zijn ‘literaire kroniek’, maar die ook schrijvers interviewde. Auteurs als Simon Carmiggelt, Maarten Biesheuvel, Johnny van Doorn (alias Johnny the Selfkicker), Thomas Verbogt en Wim de Bie brachten of brengen zeer regelmatig werk ten gehore op de radio.

Ook op de Nederlandse televisie werd al snel ruimte gemaakt voor de literatuur. Vanaf 1956 kreeg de Nederlandse televisie haar eerste programma dat alleen over literatuur ging: Gesprek aan de schrijftafel bij de VPRO.

Naarmate de televisie zich als medium meer ontwikkelde, werd echter steeds nadrukkelijker de vraag gesteld of een dergelijk gesprek wel aantrekkelijk was voor de kijker. Een tweede probleem is natuurlijk dat niet heel veel mensen literatuur lezen; de doelgroep is betrekkelijk klein.

Inmiddels is men het erover eens dat het huwelijk tussen televisie en literatuur definitief als mislukt mag worden beschouwd. Bas Heijne, zelf enige tijd vaste gast in het VPRO-programma Zeeman met boeken (gepresenteerd door journalist, criticus en dichter Michaël Zeeman), schetste eens deze korte geschiedenis van de opkomst en ondergang van de literatuur op de Nederlandse televisie:

Literatuur en televisie - heel lang heeft men gedacht dat die twee elkaar iets te zeggen hadden. […] In de dagen dat de televisie nog veel op de radio leek, waren het schrijvers die met hun dekselse flux de bouche of hun droogkomische volzinnen de presentatoren de loef af mochten steken. Het waren de schrijvers die taboes doorbraken en voor relletjes zorgden. Schrijvers bezaten de macht over het woord en in de beginjaren van de televisie was het nog niet tot de makers doorgedrongen dat boeken de natuurlijke vijand van de beeldcultuur waren. Sterker nog, er bestond bij de televisie nog helemaal geen besef van een beeldcultuur. Een echte schrijver leverde op zichzelf al een mooi exotisch plaatje op, dat was genoeg. Er werd opgekeken tegen schrijvers, met veel giechelend ontzag. [..]
Tegenwoordig is van die literaire zendingsdrift niets meer over. Alle boekenprogramma’s sneuvelden jammerlijk na een of na hoogstens twee seizoenen.

Op dit punt moet Heijne één uitzondering maken, namelijk voor het boekenprogramma Hier is… Adriaan van Dis, dat vanaf 1983 maar liefst negen jaar op zondagavond bij de VPRO te zien was. Maar inderdaad, sindsdien heeft geen boekenprogramma het meer zo lang volgehouden.

De zendingsdrift mag verdwenen zijn, nog altijd hopen uitgevers dat aandacht voor hun boeken op televisie de verkoop ervan stimuleert. Die hoop is gebaseerd op successen uit het verleden. Toch is enige relativering van de invloed van televisie op verkoopcijfers wel op z’n plaats. Échte succesnummers zijn uitzonderingen.

De recensent Hans Goedkoop gaf daarvoor een aardige verklaring. Vroeger was de criticus degene die de afstand tussen boek en lezer overbrugde. Hij vertelde de mensen wat ze moesten lezen en bracht aldus de boeken aan de man. Vervolgens ontdekten in de jaren zestig en zeventig ook journalisten het niemandsland. De criticus, schrijft Goedkoop, viel terug ‘in een peloton van ongelijksoortige types die vaak nog geen fractie van zijn expertise hadden en, misschien nog wel ernstiger, de houding miste die vanouds verbonden was met de waardering van literatuur’.

Aan de andere kant: critici zijn niet pas dertig jaar geleden beginnen te klagen over de uitholling van hun vak, dat deden ze in de negentiende eeuw al. Vanaf het moment dat de bekommernis om geld haar intrede deed in de literatuur (in Nederland was dat bij het grote succes van de dames Wolff en Deken), heeft zich een uiterst fel en hardnekkig verzet daartegen gemobiliseerd. Deze tegenbeweging heeft het schrijverschap en de literatuur juist meer en meer voorgesteld als anti-commercieel. De romantische gedachte dat literatuur en geld niets met elkaar te maken mogen hebben, bestaat overigens voor velen nog steeds.

Verder lezen