literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
Geschiedenis van de Nederlandse strip in de twintigste eeuw

Een strip is tegenwoordig meestal een boek op groot formaat met gekleurde plaatjes en tekst, niet dikker dan 48 bladzijden. Maar door de eeuwen heen heeft het beeldverhaal in vele gedaanten bestaan. Denk aan het tapijt van Bayeux (1068) waarin met geborduurde beelden wordt verteld over de slag bij Hastings. Ook de Egyptische hiëroglyfen waren al een vertelvorm waarin beelden worden gebruikt. Hoewel er ook in Nederland al ruim voor de twintigste eeuw strips en cartoons worden gemaakt, worden ze pas echt populair door de publicatie in kranten, vanaf de jaren twintig. In 1943 debuteert Marten Toonder met de strip Thijs IJs. Hij zal later door de Bommelstrips een van de belangrijkste striptekenaars van Nederland worden. De bezetting is een moeilijke tijd voor Nederlandse tekenaars. Wie wil blijven publiceren in kranten en dus een inkomen behouden, moet zich aanpassen aan de bezetter. Er zijn maar weinig tekenaars die echt foute strips maken; de meeste strips zijn onschuldig vermaak, met soms verborgen boodschappen. Pas na de bevrijding komt de Nederlandse strip weer echt op gang. De papierschaarste is voorbij en tekenaars kunnen weer zelf bepalen wat ze maken. De Toonderstudio’s van Marten Toonder worden een kweekvijver voor de talenten die de naoorlogse Nederlandse strip vormgeven. De eerste tekstballonnetjes verschenen in de serie Dick Bos, gemaakt door Alfred Mazure. (Voor die tijd waren de meeste strips plaatjes met tekst eronder.) Mazure was voor de oorlog al actief als tekenaar, maar pas met de serie Dick Bos bereikt hij een groot publiek. De actieheld die op exotische locaties avonturen beleefde en de gevechten altijd won met zijn jiu-jitsu-techniek (op veel schoolpleinen destijds nagespeeld) werd zo populair dat zijn verhalen al snel in losse boekjes werden gepubliceerd.

Terwijl de Nederlandse strip floreert, verschijnen er ook steeds meer vertalingen van buitenlandse tijdschriften. Het Franse Spirou wordt vanaf de jaren vijftig in Nederland als Robbedoes uitgegeven, Kuifje-tekenaar Hergé introduceert zijn eigen tijdschrift Kuifje en ook Donald Duck verschijnt vanaf 1952 wekelijks. De Nederlandse variant van deze populaire jeugdstripbladen is gebaseerd op Sjors van de Rebellenclub van Frans Piët. Het tijdschrift dat ooit als bijlage bij de Panorama begon krijgt allerlei verschillende namen, totdat het Sjors wordt. Samen met het blad Pep zijn dat de twee populairste Nederlandse bladen. Ze worden later in 1975 samengevoegd tot Eppo, dat na een tijd gestopt is maar in 2009 weer terugkeert. Veel tekenaars die nu nog actief zijn of van wie het werk bekend is bij een groot publiek, publiceerden in Sjors, Pep en Eppo. Martin Lodewijk (Agent 427), Jan Steeman (Sjors en Sjimmie, Roel Dijkstra), Henk Kuijpers (Franka), Dick Matena, ze begonnen vaak in de Toonder-studio’s, werkten zich op tot auteurs met eigen verhalen die werden gepubliceerd in Eppo en later werden herdrukt als albums. Veel van die series bestaan nu nog, maar net zoveel zijn gestopt door het huidige gebrek aan voorpublicatiemogelijkheden. Vervolgverhalen maken kost veel tijd en dus geld en een tekenaar kan dit eigenlijk alleen bewerkstelligen als zijn werk al wordt aangekocht voor het is gepubliceerd.

Toch werken veel zogenaamde ‘underground-tekenaars’ wel op eigen houtje. In de jaren zestig en zeventig is er, in navolging van vooral Robert Crumb in Amerika, ook in Nederland een grote groep tekenaars die zich verzet tegen de gevestigde orde en al dan niet onder invloed van drugs experimenteert met het beeldverhaal. Peter Pontiac, Joost Swarte en Evert Geradts richten zelf tijdschriften op zoals Tante Leny, Modern Papier en Gummi. Artistieke expressie vinden zij belangrijker dan een vast inkomen. Die trend zet zich in de jaren tachtig en negentig voort. Er zijn altijd nieuwe tekenaars die een podium zoeken om zich te presenteren en door gebrek aan professionele tijdschriften blijft de ‘smallpress-wereld’ een bruisende wereld. Na enkele jaren stromen tekenaars, waaronder tegenwoordig ook verrassend veel vrouwelijke (zoals Maaike Hartjes, Barbara Stok, Gerrie Hondius), na publicatie in semi-professionale bladen zoals Zone 5300 door naar mainstream-tijdschriften of kranten en publiceren ze hun eerste bundels of lange verhalen.

Het Nederlandse stripverhaal blijft zich ook in het begin van de eenentwintigste eeuw vernieuwen onder invloed van internet. Veel tekenaars die publicatiemogelijkheden zoeken, plaatsen hun werk op een site, of houden een eigen ‘blog’ bij. Het einddoel blijft toch altijd een papieren publicatie, want er verschijnen regelmatig bundels met werk dat eerst op het iets vluchtiger internet is gepubliceerd.

Verder lezen