literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw
Jalousie de métier? – de moeizame relatie tussen literatuur en commercie in 1920

De Antwerpse dichteres Alice Nahon (1896–1933) is in haar tijd buitengewoon succesvol. Bundels als Vondelingskens (1920) en Op zachte vooizekens (1921) worden vaak herdrukt en regelmatig nemen bloemlezers gedichten eruit over in bloemlezingen voor het onderwijs en voor een breed publiek. Bij dat brede publiek is Nahon bijzonder geliefd. Avant-gardistisch kan men haar werk niet noemen: vergeleken bij typografische experimenten als die van Nahons tijdgenoten Paul van Ostaijen of Theo van Doeburg (I.K. Bonset) oogt het traditioneel en conventioneel. Misschien is het wel juist vanwege die herkenbaarheid en eenvoud dat velen Nahons werk zo waarderen.

Het succes van Nahon is geen garantie gebleken voor eeuwige roem. Wie nu een rijtje van ‘belangrijke’ Nederlandstalige dichters uit de jaren rond 1921 moet geven, zal in dat rijtje Paul van Ostaijen noemen, Karel van de Woestijne, P.C. Boutens en M. Nijhoff, maar niet Alice Nahon. Als je haar naam nu probeert te googelen, vind je op de weinige sites die aan haar zijn gewijd citaten terug als dit: ‘momenteel wordt ze amper meer gelezen, maar voordat de grote stilte zich in de jaren zestig over haar werk ontfermde, zijn er van haar bundels met gevoelige (dan wel sentimentele) en melancholieke verzen in eenvoudige taal, niet minder dan 250.000 exemplaren verkocht’.

Dit citaat is om verschillende redenen interessant. In de eerste plaats omdat het laat zien dat cijfers over verkoop van literaire boeken kennelijk niet maatgevend zijn voor het (blijvende) succes van een schrijver. De bundels van ‘belangrijke’ dichters als Van Ostaijen en Nijhoff bedroegen destijds niet meer dan enkele honderden exemplaren; een schijntje vergeleken bij Nahons oplagen. Ook interessant is de karakteristiek van Nahons werk gegeven wordt in de woorden ‘gevoelige (dan wel sentimentele) en melancholieke verzen in eenvoudige taal’. ‘Gevoelig’ heeft vooral positieve connotaties, maar ‘sentimentele’ is toch vooral negatief; de typering ‘wat een sentimentele film’ bedoelt de film in kwestie meestal niet aan te prijzen.

Terwijl Nahon bij het grote publiek veel succes boekte met haar poëzie, ondervond ze in de kritiek nogal wat tegenstand. Het publiek vond haar gedichten ‘gevoelig’, de kritiek verwierp ze als ‘sentimenteel’.

Het is interessant dat twee van Nahons strengste critici zelf óók dichter waren. Zowel Van Ostaijen als Nijhoff hebben zich in 1926 uiterst kritisch uitgelaten over de in dat jaar bij De Nederlandsche Boekhandel & A.W. Sijtthoff’s Uitgeversmaatschappij verschenen bloemlezing uit haar werk, Keurgedichten.

Beide critici gaan in hun recensies uitgebreid in op de wijze waarop Nahons poëzie in de bloemlezing wordt gepresenteerd. Om tegemoet te komen aan ‘honderden aanvragen om eenige levensbijzonderheden van Alice Nahon te geven’ laat de uitgever de gedichten voorafgaan door een biografische schets van Nahon door Dr. C. Tazelaar, ‘die zoo vriendelijk was om toe te staan zijn studie, een keurige ontleding van het karakter dezer poëzie in verband met de levensomstandigheden der dichteres, hier over te nemen’. En dus lezen we in Tazelaars inleiding, waarin het persoonlijk leed van de zieke dichteres breed uitgemeten wordt, bijvoorbeeld uitgebreid over haar tuberculose. Hoewel je je afvragen kunt wat die ziekte met Nahons gedichten te maken heeft, is het feit dat Tazelaar erover vertelt vanuit het perspectief van de uitgever volkomen logisch. De populaire Nahon is een ster geworden, en het publiek wil van sterren nu eenmaal alles weten.

Logisch of niet, Nijhoff en Van Ostaijen zijn door Tazelaars inleiding zeer geïrriteerd. Van Ostaijen (die twee jaar later overigens zelf aan tuberculose zou sterven) schrijft bijvoorbeeld: ‘Nooit, voor zover ik weet, werd, in onze literatuur, de burgerlike toestand van een dichter op zulke kommerciële wijze voor reklame-doeleinden uitgebuit.’

Beide critici, die als dichters schreven voor een veel kleiner publiek dan dat van Nahon, reageren korzelig op de cultus rondom ‘Mej. Alice Nahon’ (Van Ostaijen). Ze gaan ook expliciet in op Nahons succes. Van Ostaijen probeert het te verklaren door erop te wijzen dat de ‘atmosfeer van het melodrama’ van deze gedichten beantwoordt aan ‘de wetten van het gevoelsmatige zoals het publiek zich behaagt deze te denken’.

Voor Nijhoff is het succes van Nahons gedichten reden om er verder maar over te zwijgen. ‘Wat de poëzie van Alice Nahon betreft,’ schrijft hij in zijn recensie, ‘ik zou er maar liever over zwijgen. Het succes is groot, veel hartjes kloppen van meegevoel, en waarom dan roet in het eten strooien?’ Maar dat doet hij dan vervolgens toch. Hij ziet met lede ogen aan dat het publiek kiest voor Nahon, en niet voor een dichter als hijzelf – ‘niet zonder een zekere ‘kif’’, zoals hij zelf zegt – maar hij zou de weddenschap aangaan dat hij binnen een maand ook ‘zulk een bundeltje’ zou kunnen produceren…

Tot diep in de twintigste eeuw zal dit conflict tussen succesvolle auteurs en hun critici blijven voortduren. Steeds weer verdedigen de critici datgene wat zij zien als de ‘echte’ literatuur tegen de veronderstelde kitsch waarvoor het grote publiek kiest. Zoals Du Perron dichtte in ‘De Franc-Tireurs’, gepubliceerd in De Gids van december 1928:

De Poëzie blijft, naakt en ongekromd,
een Tijdverdrijf voor enkle Fijne Luiden.
Verder lezen