literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Jan Luyken - een dichter bekeert zich
Amsterdam 16 april 1649 - Amsterdam 5 april 1712

Vrijwel iedereen heeft wel eens een door Jan Luyken gemaakte prent gezien. Zijn gedetailleerde afbeeldingen van beroepen zijn te vinden op wandtegeltjes, pakpapier en als winkelversiering. Vooral zijn prent van de bakker is populair. Heel wat bakkerijen gebruiken die voor hun reclame. Naast tekenaar en graveur was Jan Luyken ook een begaafd dichter. Maar van zijn debuut en tevens zijn mooiste dichtbundel, Duytse lier van 1671, wilde hij later niets meer weten. Schaamde hij zich voor de erotische inhoud?

Luyken publiceerde zijn debuut Duytse lier toen hij tweeëntwintig was. Een ‘Duitse lier’ was een draailier. Op de titelpagina van de bundel stond zo’n draailier afgebeeld, in de handen van een sater. Dat gaf meteen al aan dat de inhoud van de gedichten erotisch getint was, want in de mythologie golden saters – half man, half bok – als seksbelust.

Inderdaad staan er in Duytse lier heel wat verzen die verkondigen dat je van de liefde vooral moet genieten. Het meisje Laura krijgt bijvoorbeeld de vraag voorgelegd: ‘Waarom lang alleen geslapen? Waarom bij de vrijer niet?’ Je moet meedoen, Laura, want als je wacht tot je oud bent, zijn je kansen verkeken. In een ander gedicht hoopt een jonge man dat de liefde hem zal ‘samenvoegen’ met Leonoor om ‘de zoetste vrucht’ te telen, een kind, waardoor het leven wordt voortgezet. Seks en erotiek zijn overduidelijke thema’s, maar ze staan rechtstreeks in dienst van de voortplanting. Seks is fijn, maar er hoort altijd een waarschuwing bij. Als echte zeventiende-eeuwer vond Luyken namelijk dat vrijen alleen binnen een huwelijk mocht. Duytse lier gaat over het verlangen naar het volmaakte huwelijk. Dat zal te maken hebben met de omstandigheden waarin de jonge dichter verkeerde: hij was verliefd en verloofd. Een paar maanden na het verschijnen van deze bundel trouwde Jan Luyken met Maria de Ouden.

Duytse lier laat ook ernstiger tonen horen. Wie lichtvaardig en zonder zich te binden van de erotiek wil genieten, loopt achter waandenkbeelden aan. Iedereen moet beseffen dat het leven in een zucht voorbij is, zeker als een mens zich niet inspant om wijs te worden:

Droom is ’t leven, anders niet;
’t glijdt voorbij gelijk een vliet,
die langs steile boorden schiet,
zonder ooit te keren.
d’ Arme mens vergaapt zijn tijd
aan het schoon der ijdelheid,
maar een schaduw die hem vlijt,
droevig! Wie kan ’t werenverhinderen?
d’Oude grijze blijft een kind,
altijd slaap’rig, altijd blind;
dag en ure,
waard’ en dure,
wordt verguicheld in de wind.
Daarmee glijdt het leven heen.
’t Huis van vel en vlees en been
slaat aan ’t kraken;
d’ ogen waken
met de dood in duisterheên.

Een paar jaar later, omstreeks 1676, maakte Jan Luyken een bekering door. Hij verruilde de menselijke erotiek voor de liefde tot God en sloot zich aan bij een groep vrome gelovigen die – zonder tot een kerk te behoren – de uiterste eenvoud nastreefden: van eten, drinken, kleding en slaap namen ze niet meer dan hoognodig was. Het verhaal gaat dat Luyken bij de boekhandels de resterende exemplaren van de Duytse lier wilde opkopen om die te vernietigen, totdat hij merkte dat er meer in omloop waren dan hij zelf had laten drukken. Uit deze latere periode stamt zijn dichtbundel Jezus en de ziel (1678).

In het volgende gedicht uit Jezus en de ziel beredeneert de menselijke ziel – de ikfiguur - de schoonheid van God. De schepping is al zo mooi; dan moet de schepper daarvan (mijn Lief) nog veel mooier zijn.

De ziel betracht de schepper uit de schepselen
Ik zag de schoonheid en de zoetheid aller dingen,
en sprak: ‘Wat zijt gij schoon!’ Toen hoorde mijn gemoed:
‘Dat zijn wij ook; maar hij, van wie wij ’t al ontvingen,
is duizendmaal zo schoon, en duizendmaal zo zoet’.
En dat zijt gij, mijn Lief! Zou ik u niet begeren?
Is hier een lelieblad op aard zo blank en fijn,
wat moet, o eeuwig Goed, o aller dingen Here,
wat moet de witheid van uw zuiverheid dan zijn!
Is ’t purper ook zo schoon der rozen die hier bloeien,
bedauwd met peerlen, als de morgenzon hen groet,
hoe moet het purper van uw majesteit dan gloeien!
Ruikt hier een violet zo lieflijk en zo zoet,
als ’t westenwindje door de hoven zacht gaat weiden,
zo ik het menigmaal bij koelen morgen vond,
wat moet zich dan een reuk door ’t paradijs verspreiden,
zo lieflijk vloeiend uit uw vriendelijken mond!
Is hier de zon, gelijk een bruidegom, gerezen,
zo schoon en blinkend op het hoogste van de dag,
wat moet uw aangezicht dan klaar en helder wezen!
O God, mijn schoonste Lief! Dat ik u eenmaal zag!

Geleidelijk aan raakte het schrijven op de achtergrond. Luyken voorzag – samen met zijn zoon Caspar - in zijn levensonderhoud met het etsen en graveren van prenten, boekillustraties en embleembundels. Sommige daarvan, zoals Spiegel van het menselijk bedrijf (1694) en Leerzaam huisraad (1711) worden tot op de huidige dag herdrukt. Ze leggen een verband tussen het alledaagse leven en de moeizame weg van de mens naar de hemel.

Verder lezen
De meest gereproduceerde illustratie uit Luykens Spiegel van het menselijk bedrijf (1694): de bakker.
De sater op de titelprent van de Duytse lier symboliseert de erotische inhoud van de dichtbundel.
Het magere gezicht van Luyken verraadt iets van zijn sobere manier van leven.
Zoals het huis met een bezem moet worden schoongeveegd, zo moet ieder mens zijn eigen hart van zonden reinigen.