literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Anna Maria van Schurman - slimmer dan iedereen
Keulen 5 november 1607 - Wieuwerd (Friesland) 14 mei 1678

Hoe slim je ook was, als vrouw kreeg je in de zeventiende eeuw geen toegang tot de Latijnse school en al helemaal niet tot de universiteit. Er was één uitzondering: Anna Maria van Schurman. Zij was zo getalenteerd dat ze met gemak het vereiste niveau voor wetenschappelijk onderwijs haalde. Ze mocht aan de Utrechtse universiteit colleges volgen, maar moest wel apart zitten van de mannelijke studenten, in een speciale nis, achter een gordijn.

Van Schurman kwam uit een calvinistische Antwerpse familie, die via Duitsland in Utrecht terechtkwam. Ze bleef er het grootste deel van haar leven. Een gevelsteen in het pand Achter de Dom 8 herinnert nog aan een van de adressen waar ze woonde. Haar ouders onderkenden haar leergierigheid en artistieke aanleg al vroeg en zorgden voor goed privé-onderwijs. In het autobiografische boek Eucleria (De goede keus, 1684) keek ze er dankbaar op terug:

Aan hen moet ik dit getrouwe getuigenis geven dat zij hun kinderen niet alleen in de menselijke letteren, maar ook in de godvruchtigheid, zo ver die bij hen bekend was, hebben gezocht op te kweken [op te voeden], en dat zo ernstig en naarstig, dat […] zij ons van kindsaf door een [voor]treffelijk Huismeester [lieten] onderwijzen, ook met zulken voortgang dat ik, een kind zijnde van drie jaren (hetwelk mij daarna verhaald is) het Duits lezen, en ook een gedeelte van de Catechismus uit het hoofd opzeggen kon.

Later werd haar vader haar leraar. Ze beheerste uiteindelijk een hele rij talen (naast Nederlands, Latijn, Grieks, Frans, Duits en Engels ook Hebreeuws, Chaldeeuws, Arabisch, Syrisch en Ethiopisch) en was verder geïnteresseerd in de theologie, geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde. Haar kunstzinnige talenten ontplooide ze bij Magdalena van de Passe, de dochter van de bekende Utrechtse graveur Crispijn van de Passe. Van haar leerde Van Schurman zowel de graveernaald als het krijt hanteren.

Van Schurman schreef al jong poëzie en kwam rond 1620 in contact met Jacob Cats en Anna Visscher. Zij waren meteen van haar kennis en artistieke kwaliteiten onder de indruk. Toen haar roem zich in bredere kringen verspreidde, kreeg ze ook contact met Jacob Revius en Constantijn Huygens. De meeste correspondentie en poëzie schreef ze in het Latijn. Met een Nederlands gedicht bedankte ze in 1632 Cats, die haar zijn embleembundel Spiegel van den ouden en nieuwen tijdt had gestuurd. Het boek was prachtig uitgevoerd, er stonden goudstempels op de buitenkant en de bladzijden waren goud op snee:

De gifte die ik roem, en niet genoeg kan roemen,
bekleedt de waardste plaats van ’tgeen ik ‘mijn’ mag noemen
het uiterlijk sieraad, ’t goud dat van buiten glimpt
is maar den laagsten trap, waarvan men hoger klimt.
Daarbinnen leit de kern van deze schat verborgen,
doch zo verborgen heet ’tgeen doorbreekt als den morgen,
een kostelijken peerl, waar ’t goud de schel van is,
van oorspronk ongelijk, en zo ik niet en mis,
het een is uit den schoot der aarden voortgekomen,
en ’t ander uit den glans des hemels dauw genomen.
Zulks is ook dit juweel: den hemel geeft het licht
dat bliksemt overal, in dit vermaard gedicht.

Via haar broer Johan Godschalck kreeg ze steeds meer intellectuele contacten, onder anderen met de professoren Daniel Heinsius, Caspar Barlaeus, André Rivet (de latere gouverneur van prins Willem II van Oranje) en Gisbertus Voetius. In een discussie met de theoloog Rivet stelde Van Schurman dat ook vrouwen aanleg voor wetenschap en literatuur hadden. In 1638 schreef ze er een Latijnse verhandeling over, Dissertatio de ingenii muliebris ad doctrinma & meliores litteras aptitudine. Dat was voor de theoloog Voetius aanleiding om haar onder zijn gehoor aan de Utrechtse universiteit toe te laten; ze ging er ook colleges letteren en geneeskunde volgen. Na bemiddeling van de schrijvende arts Johan van Beverwijck verscheen de Dissertatio in 1641 druk. Daarmee werd ze een Europese beroemdheid. De ‘Utrechtse Minerva’ – een toespeling op de godin van de wijsheid uit de klassieke oudheid – werd in talloze lofdichten geprezen en haar werk werd in het Frans en Engels vertaald en steeds opnieuw gedrukt.

Van Schurmans belangrijkste doel was een beter begrip van de Bijbel en de theologische discussies. Ze bleef bewust ongehuwd om zoveel mogelijk tijd aan studie en het schrijven van verhandelingen te kunnen besteden; dankzij het familiekapitaal was dat geen probleem. Aanvankelijk waren de denkbeelden van professor en predikant Voetius een belangrijke leidraad voor haar. Bij de opening van de Utrechtse universiteit in 1636 leidde Voetius een speciale dienst in de Domkerk. Van Schurman maakte er een lofdicht bij, waarin ze hoog opgaf van het wetenschappelijk niveau dat Utrecht biedt, onder andere omdat Voetius er doceerde:

Gij ziet van hogerhand gekoren wijze mannen
om wetenschap en deugd tezamen in te spannen
om haar begerig volk met leer en metterdaad
door onvermoeiden vlijt te leiden tot dien staat.
Hieronder is een man door Godes geest gedreven,
Die heeft aan deze wet een schoner glans gegeven.

In de jaren ’60 kwam Van Schurman in contact met de Geneefse predikant Jean de Labadie. Zijn ideeën over een zuiver leven vanuit het geloof in Jezus Christus spraken haar erg aan. Toen De Labadie in 1669 de gereformeerde kerk de rug toekeerde, sloot zij zich als een van de eersten aan bij zijn separatistische huisgemeente. Tevergeefs deed de Utrechtse kerkenraad een beroep op haar om terug te keren naar de gereformeerde kerk. Ook de scherpe kritiek van haar geleerde en letterkundige vrienden legde Van Schurman naast zich neer. Ze trok met de labadisten mee naar Duitsland en later naar het Friese Wieuwerd, waar ze op zeventigjarige leeftijd overleed.

Verder lezen
Dit zelfportret van Van Schurman uit 1640 is de oudst bekende pastelkrijttekening uit Noord-Nederland.