literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Catharina Questiers en Cornelia van der Veer – een literaire wedstrijd
Amsterdam 21 november 1631 - Amsterdam 3 februari 1669

Amsterdam 30 augustus 1639 - Amsterdam begraven 18 oktober 1704

Communicatie was een belangrijk kenmerk van de poëzie in de renaissance. Het eerste doel van de schrijvers was om algemene denkbeelden op een overtuigende manier over te brengen op hun lezers. Bij lezers denken wij meteen aan de anonieme kopers van een boek, maar in de zeventiende eeuw bereikte de literatuur veel minder mensen. Voordat teksten gedrukt werden, waren ze meestal in afschriften verspreid onder vrienden en bekenden van de schrijver. Vaak waren daar collega-auteurs bij die ook reageerden op de teksten. Zo ontstonden regelmatig ketens van gedichten. De Lauwer-stryt van Catharina Questiers en Cornelia van der Veer is er een voorbeeld van.

Deze dichteressen kwamen allebei uit Amsterdam. Questiers woonde in de Warmoesstraat en zag daar in 1649 de begrafenisstoet van Tesselschade Visscher voorbij trekken. Dat was de aanleiding om een grafdicht op deze schrijfster te maken. Ze bewonderde haar erg, waarschijnlijk speelde ook mee dat ze allebei katholiek waren. Het gedicht werd hetzelfde jaar gepubliceerd in de bundel Wintersche Avonden, een bloemlezing met werk van allerlei schrijvers. Questiers kreeg een anonieme reactie, in dichtvorm: ga zo door! Dat deed ze; ze publiceerde in de jaren ’50 en ’60 in verschillende bloemlezingen. Ze was trouwens thuis niet de enige met belangstelling voor kunst: haar vader was bestuurslid van de rederijkerskamer Het Wit Lavendel en haar broer David dichtte in zijn vrije tijd ook.

Questiers bewerkte verder uit het Spaans vertaalde toneelstukken van Lope de Vega en Gomez. Die stukken waren al in Nederlands proza vertaald; Questiers zette ze op rijm. Bij de opening van de verbouwde schouwburg in 1665 werd haar berijming van D’ondanckbare Fulvius en getrouwe Octavia gespeeld. Questiers had behoorlijk wat literaire contacten. Zo vroeg Constantijn Huygens haar een lofdicht voor zijn bundel Korenbloemen (1658) te schrijven; als dank maakte hij een gedicht voor haar album amicorum (vriendenboek).

Begin jaren ’60 raakte Questiers bevriend met de calvinistische Cornelia van der Veer, die naar eigen zeggen uit een gezin met zeventien kinderen kwam. Zelf trouwde ze niet: mijn kinderen zijn mijn verzen, schreef ze eens. Ze zag de literatuur als kans om haar denkkracht te ontplooien: ‘ik oefen mij hierdoor [met het schrijven], en ploeg een rijper oordeel’, antwoordde ze op de vraag naar het nut van haar poëzie. Dit lag helemaal in de lijn van het humanisme. Haar devies was dan ook: ‘Ik tracht VEERder’.

Over Van der Veers scholing weten we niets, maar uit de verwijzingen in haar werk blijkt dat ze veel gelezen had, zowel in klassieke schrijvers (bijvoorbeeld Ovidius, in vertaling) als in Nederlandse en buitenlandse auteurs uit haar eigen tijd, zoals Van Beverwijck, Vondel, Oudaan en de Franse auteur Montaigne, die met zijn Essays in heel West-Europa invloed had.

Tussen november 1662 en januari 1663 maakten de twee schrijfsters de Lauwer-stryt, een serie van tien gedichten, vijf van elke auteur. De strijd draait om de vraag wie van hen de beste dichteres is. Zeven van de tien gedichten bevatten dezelfde rijmwoorden, zoals de gewoonte was bij dit soort reeksen. De schrijfsters gaan naar de kunstenaarsberg uit de klassieke oudheid, de Helicon, waar dichters drinken uit de bron (= inspiratie opdoen) die het paard Pegasus met een hoefslag crëerde. Daar stellen ze via een priester aan de god van de dichtkunst, Apollo, de vraag wie de lauwerkrans verdient, het klassieke eerbetoon voor een dichter. Volgens Questiers zegt het orakel dat de eer aan Van der Veer toekomt, maar die claimt dat het zonneklaar is dat Questiers de beste is. Ze verwijst naar het verhaal over Dafne uit Ovidius’ Metamorfosen: toen de verliefde Apollo haar wilde kussen, veranderde zij in een laurierboom. Sindsdien is de lauwerkrans Apollo’s symbool: zoals die krans nooit verwelkt, zo is zijn liefde voor haar eeuwig. Hier volgt het begin van de eerste twee gedichten. Questiers schrijft:

Nee, Febus’ priesterin, mij passen geen laurieren;
mijn vaarzen zijn te zwak, zij hebben kracht noch spieren,
om op den top van ’t wijdberoemde Helicon
te klauteren; veel min dat ik uit Pegaas’ bron
mijn dorst zo dikmaals laafde, als het mij zelver lustte.

Van der Veer antwoordt:

Ik ben onwaard den dienst van hem die lauwerieren
in plaats van Dafne kust; uw vaarzen hebben spieren
en aders vol van merg, waardoor gij Helicon
beklautert met vermaak; schoon dat gij zegt die bron
te hebben nooit gesmaakt tot koeling voor uw lusten.
(…)
Terwijl de priester aan de blonde god dit vraagde:
‘Wie zal de lauwer kroôn?’ Zo hebt gij straks verstaan
dat ze aan mij blijven zou: maar dat is verkeerd gegaan.

De strijd eindigt onbeslist. De schrijfsters lieten de reeks samen met andere gedichten in 1665 drukken; zo’n boek door vrouwen was toen nog een uitzondering. Kort hierna stopte Questiers met schrijven omdat ze trouwde. Toen ze overleed, in 1669, maakte Vondel een grafdicht.

Op Katharine Questier
Recessit in auras

De nijd des zerks bedekt de schoonheid van Questier.
De geest, nog schoner, leeft in hout en wit papier.
In aarde en hemel rees om haar een groot krakeel.
Elk trok. De hemel won de ziel, het schoonste deel.

Van der Veer zette haar literaire contacten voort, onder andere in een dichtwisseling met de uitgeefster Katharina Lescailje. Verder publiceerde ze een aantal pamfletten met commentaar op de situatie in de Nederlandse Republiek. Ze maakte echter geen propaganda voor bepaalde politieke stromingen. Haar boodschap was dat God de Republiek, het tweede Israël, beschermt als de Nederlanders godvruchtiger leven. Dit was de algemene calvinistische visie in de zeventiende eeuw.

Verder lezen
Catharina Questiers (midden, met papier) tussen haar zus Maria en haar zwager Hendrik de Goyer. De persoon rechtsachter is Adriaen van Ostade, die dit schilderij maakte (ong. 1650-1655).
Op de titelprent van de Lauwer-stryt bepalen de goden wie de beste dichter is: Mercurius, god van de welsprekendheid (rechts, met hoed en staf) krijgt de lauwerkrans van Apollo (links), de god van het licht en de beschermer van de poëzie. Onder aan het podium luisteren de dichteressen Questiers en Van der Veer toe.