literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Nicolaas Heinsius jr. – de schijn van criminaliteit
Den Haag 1656 - Culemborg begraven 12 januari 1718

Hij was geen onbesproken jongen, de arts Nicolaas Heinsius jr. In december 1677 was hij in Den Haag betrokken bij een vechtpartij waarbij een dode viel. Hoewel hij probeerde te bewijzen dat het moordwapen niet van hem was, werd hij wegens doodslag uit Holland verbannen. Het is maar een van de voorvallen die Heinsius verwerkte in zijn beroemdste boek, een schelmenroman met een autobiografisch tintje.

Nicolaas Heinsius jr. stamde uit een beroemde intellectuele familie: hij was de kleinzoon van de geleerde en dichter Daniël Heinsius en ook zijn vader, Nicolaas sr., was cultureel actief, onder andere in dienst van koningin Christina van Zweden. Maar vader en zoon waren niet gelukkig met elkaar, om het zacht te zeggen. Heinsius sr. wilde niet in het huwelijk treden met Margaretha Mullen, hoewel hij de vader van haar zonen Nicolaas en Daniël was, ook niet toen zij een proces over de zaak won. De ouders leefden gescheiden en maakten ruzie. Nicolaas werd arts, na een studie in Duitsland. Tot de beruchte vechtpartij woonde hij in Den Haag; daarna onder andere in Parijs, Zweden en Rome. Net als zijn vader was hij een tijd in dienst van Christina van Zweden, als haar lijfarts. Vanaf 1695 woonde hij weer in de Republiek, in de vrijplaats Culemborg, waar de gerechtelijke verbanning niet geldig was.

Behalve in medische onderwerpen was Heinsius ook zeer geïnteresseerd in literatuur. Hij had veel gelezen en verwerkte zijn kennis in zijn medische en literaire werk. Internationale roem verwierf hij met Den vermakelyken avanturier uit 1695, een schelmenroman.

De schelmenroman was een populair genre. De anonieme Spaanse Lazarillo de Tormes, uit 1554, was hét model voor een heel Europees netwerk van verhalen over ‘schelmen’ geworden. Er waren veel literaire varianten van arme, ongebonden jonge mannen, en vanaf een zeker moment ook vrouwen, die rondzwervend hun kostje moesten winnen. Heinsius kende dit netwerk op zijn duimpje, in de originele taal of in vertaling: van de Spaanse verhalen van Quevedo en Aléman tot de Franse van Scarron en Sorel.

 

Heinsius’ schelm heet Mirandor. Hij heeft een goedmoedig, wat naïef karakter en leert door schade en schande dat hij voor zichzelf op moet komen. Mirandor vlucht weg van huis: zijn vader drinkt en is er nooit, zijn moeder ontvangt jonge mannen en laat haar kinderen aan hun lot over. Die troosteloze verlatenheid zal Heinsius uit eigen ervaring gekend hebben. Mirandor trekt naar Antwerpen en vandaar naar Brussel. In dit type roman worden de schelmen vaak slecht behandeld door hun bazen. Zo moet Mirandor bij een gierige Brusselse advocaat een arbeidscontract tekenen, waarin onder andere de volgende eisen staan:

Dat ik my alle morgen precies ten vijf uren (des zomers wel te verstaan) uit het bed begeven, en als dan een uur, of meer, met hem in de tuin most arbeiden.
Niet meer als eenmaal des daags t’ eten, op dat het gulzig en onmatig eten, mijn maag niet kwam te bezwaren, en daardoor hindering aan mijn neerstigheid [inzet, ijver] en gezondheid mocht komen te doen.
Dat, wanneer ik niets te doen had, ik, om mijn tijd niet onnuttelijk door te brengen, aan de wagens of Barges (dit zijn de schuiten, die van Brussel naar Antwerpen varen) mijn dienst aan de passagiers zou aanbieden, om pakken t’ huis te dragen, van welke accidenten [gebeurtenissen] ik hem zonder de geringste substractie [aftrek] zijn ‘portionem legitimam’, of gerechte deel zou laten toekomen, op pene [straffe] van, wanneer hij mij op diergelijke misdaad kwam te betrappen, als onwaardig van zijn dienst beroofd, en cum infamia verstooten te zyn [oneervol ontslagen te worden].

Mirandor tekent omdat hij anders geen werk heeft, maar is binnen de kortste keren broodmager. Dan lijkt zijn lot te keren: hij krijgt een baan bij een markies in Gent en wordt dikke vrienden met diens zoon Belindor. Verder ontmoet hij zijn eerste grote liefde: Isabella. Na veel avonturen lijken ze een gelukkig paar te worden, maar vijanden steken een spaak in het wiel. Isabella sterft en Mirandor trekt naar Parijs, waar hij Clarice ontmoet, die uiteindelijk zijn vrouw zal worden. Voor het zover is moet Mirandor nog allerlei narigheid doorstaan, zoals onterechte beschuldigingen en kloppartijen. Op zeker moment wordt hij door zijn vijanden in de val gelokt en overvallen:

[...] maar men kan gedenken hoe groot mijn verbaasdheid zijn most, wanneer ik, een pistool achter mij hoorde lossen, mij van die gewaande Dame, die ik bij mij had, in de rugge gekwetst vond, terwijl haar knecht de mijne ook van het paard door een pistoolscheut ter aarde deed vallen, ziende mij op dezelfde tijd [moment] van een menigte ruiters, die achter de bomen vandaan kwamen, omsingeld, waarvan enige mij met hun degens aanvielen, en andere hun pistolen op mij losten, waardoor ik, zeer zwaar gewond zijnde, gans verdoofd ter aarde viel. Ik weet niet hoe deze schelmen wijder met mij vervoeren; maar wanneer ik eindelijk wederom bij mijn verstand gekomen, en mijn zinnen een weinig herhaald had [een beetje bij was gekomen], bevond ik mij onder een menigte struiken en afgevallen bladeren leggen [liggen], zijnde gans naakt tot op mijn hemd, dat rood van bloed was, uitgekleed. Ik kroop, zo seer mijn zwakheid en ellendige toestand toeliet, op handen en voeten van deze struiken vandaan, ziende rondom mij, waar mijn paarden en mijn knecht gebleven waren, en waarvan ik de laatste welhaast, door de klaarheid [helderheid] van de maan, nevens mij onder enige ander struiken leggen zag, zijnde zowel als ik tot het hemd toe uitgekleed. Zo ras [Zodra] ik, hem niet zonder grote pijn, genaderd was, zag ik, tot mijn leedwezen, dat hij dood en al verstijfd was. Ik laat den bescheiden [verstandige] lezer oordelen, hoe mij ongelukkige in deze erbarmlijke toestand most te moede zijn, ziende mij van wonden bedekt; van klederen en geld ontbloot, en in een naar en eenzaam bos in de nacht moederlijk alleen.

Alleen de wil om te blijven leven, redde mij toen, bekent Mirandor aan de lezer. Deze tactiek om de lezer bij het verhaal te betrekken is niet de enige reden waarom het boek zo succesvol werd. De bonte stoet van gebeurtenissen zorgde steeds voor verrassingen, vooral omdat het toeval een grote rol speelde. Tegelijk zorgde Heinsius voor overzicht, door de rode draad van ik-verteller Mirandor en een aantal personages die steeds in diens leven opduiken. Belangrijk was ook de vlotte, directe beschrijving van het gevoelsleven, waardoor de avonturen niet louter aan de buitenkant bleven.

Den vermakelyken avanturier werd op zijn beurt een voorbeeld voor nieuwe verhalen. Behalve acht herdrukken volgden allerlei bewerkingen en vertalingen in het Nederlands, Duits, Engels, Frans en Italiaans. In 1697 publiceerde Heinsius nog een roman, Don Clarazel de Gontarnos, een bewerking van het Franse Le chevalier hypochondriaque van Duverdier uit 1632, die op zijn beurt een navolging was van het Don Quijote-verhaal van Miguel Cervantes uit het begin van de zeventiende eeuw. Dit boek was veel minder goed dan het verhaal over Mirandor en Heinsius had er geen succes mee.

Verder lezen
Titelpagina van Den vermakelyken avanturier, in de vijfde druk uit 1722
Op de titelplaat prijst de vrolijke, verklede man deze roman aan als zoete medicijn tegen het verdriet van de vrouw links