literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

We zijn er aan gewend dat elk land zijn eigen volkslied heeft: een lied dat de aard van dat volk weergeeft. Het wordt altijd gespeeld en gezongen als het land zich aan andere landen presenteert – van voetbalwedstrijd tot staatsbezoek. Hoe is Nederland eigenlijk aan het Wilhelmus gekomen?

De wortels van het Nederlandse volkslied
De literatuur maakt propaganda voor de Nederlandse opstand.

Het Wilhelmus is pas sinds 1932 het officiële Nederlandse volkslied. Het stamt echter al uit de zestiende eeuw. De tekst is rond 1570 geschreven, op de melodie van een katholiek Frans spotlied, getiteld Chartres. Daarin werden Franse protestanten gekleineerd. De protestantse auteur van het Wilhelmus koos deze melodie om de katholieke Spanjaarden uit te dagen. Tegenwoordig wordt het Wilhelmus gezongen op een iets andere melodie, waarvan de noten in 1626 afgedrukt werden in Adriaen Valerius’ Nederlandtsche Gedenck-clanck. Het lied telt vijftien strofen (coupletten). Daarvan worden nu vrijwel altijd alleen het eerste en soms het zesde couplet gezongen:

Wilhelmus
Naar de wijze van Chartres

1.
Wilhelmus van Nassouwe,
ben ik, van Duitsen bloed.
Den vaderland getrouwe
blijf ik tot in den doed.
Een Prinse van Oranje
ben ik vrij onverveerd.
Den koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.

6.
Mijn schild ende betrouwen
zijt gij, o God, mijn Heer:
Op U zo wil ik bouwen,
verlaat mij nimmermeer!
Dat ik toch vroom mag blijven
Uw dienaar t’aller stond,
die tirannie verdrijven,
die mij mijn hart doorwondt.

8
Als David moeste vluchten
voor Saul de tiran,
zo heb ik moeten zuchten
met menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
verlost uit alle nood,
een koninkrijk gegeven
in Israël zeer groot.

In het Wilhelmus is Willem van Oranje aan het woord. Hij was de aanvoerder van het Nederlandse leger, dat aan het einde van de zestiende eeuw vocht tegen de Spanjaarden. Wie het Wilhelmus geschreven heeft, weten we niet. Waarschijnlijk wilde de schrijver anoniem blijven om niet de Spaanse woede over zich af te roepen. Tot de dag van vandaag is zijn of haar identiteit niet achterhaald.

Het Wilhelmus is een acrostichon. De beginletters van de vijftien strofen vormen de naam ‘Willem van Nassau’ (in de spelling van toen: Willem van Nassov). Hij wordt door de onbekende auteur naar voren geschoven als de ideale leider in de vrijheidsstrijd. Oranje wordt daarom zelfs met de bijbelse held David vergeleken. De Nederlanders zijn de schapen die door de herder David worden geweid. De Spaanse hertog Alva is in die vergelijking de bijbelse Saul: de koning die David wilde doden, maar dat met de dood moest bekopen omdat God aan Davids kant stond.

Het lied werd al snel het lijflied van de geuzen, de aanhangers van de prins van Oranje. Na de dood van Willem van Oranje in 1584 volgde zijn zoon Maurits hem op. Hij boekte vele successen en dwong de Spanjaarden tot een voorlopig bestand, tussen 1609 en 1621. In 1618 werd ook voor deze Oranje een toepasselijke versie van het Wilhelmus gemaakt. Daarin werd nog directer verwoord dat God met Nederland was en dat de Oranjes vanzelfsprekend de leiders van dit land waren. Het eerste couplet luidde:

Mauricius van Nassouwe
ben ik van Duitsen aard.
Voor ’t vaderland getrouwe
ga ik in ’t veld te paard.
Het prinsdom van Oranje,
heeft God mij toegeschikt.
Voor den koning van Spanje
en ben ik niet verschrikt.

De strijd tegen het rooms-katholieke Spanje ging om het recht op zelfbeschikking in politieke én godsdienstige zaken. Die zaken kwamen aan de orde in geuzenliederen als het Wilhelmus. Maar ook veel andere teksten speelden in op de actualiteit. De calvinistische edelman Philips van Marnix van Sint-Aldegonde, die door velen als de dichter van het Wilhelmus werd en wordt gezien, schreef in 1569 De byencorf der H. Roomsche Kercke. In deze allegorie vergeleek hij op satirische wijze de rooms-katholieke kerk met een bijenkorf, en haar gezagsdragers met verschillende soorten bijen:

De tweede soort bijen lijkt erg op de wespen en horzels. Zij maken niet veel honing, omdat ze daarvoor niet geschikt zijn. Zij werken wel heel hard, en brengen ook wel veel honing naar de korf. Zij lijken ook wel erg op paardenvliegen, hoewel ze liever niet op koeien en paarden, maar op schapen zitten. Gewone honingbijen mijden die schapen, omdat ze bang zijn in hun wol verward te raken. Maar die tweede soort weet daar wel raad mee. Zij bijten door de wol in het vel van de schapen, en zuigen het bloed op, dat zij zeer lekker vinden. En daarom worden die bijen door sommigen ‘bijtschapen’ genoemd, of, korter nog, ‘Bischoppen’.

De Byencorf was ook een aanval op de Spaanse koning, die rooms-katholiek was. De Nederlanders waren hier de schapen; ze werden achtervolgd door de ‘bloedzuigende’ rooms-katholieke kerk. Het weerloze, onschuldige schaap (de Nederlandse staat) kon zich met de hulp van sterke Oranje-leiders aan de Spaanse wurggreep ontworstelen. Zo werd literatuur na 1550 gebruikt om de Nederlanders mentaal sterk te maken. Vanwege de radicale denkbeelden publiceerde Marnix de Byencorf anoniem. Hij schreef het boek terwijl hij in Oost-Friesland ondergedoken zat. Daar woonden veel protestantse vluchtelingen.

Verder lezen
Gedeelte uit een afschrift van het Wilhelmus, uit de verzameling Simon de Gorter. Rond 1618 schreef De Gorter op dit blad dat Philips Marnix van Sint-Aldegonde het lied geschreven had. Dat is echter niet zeker.
Dagboeknotities van Willem Verwer, bij het beleg van Haarlem in 1573. Toen een soldaat het Wilhelmus zong, schoten de Spanjaarden zijn been eraf. Verwer geeft ook de beginnoten van het lied, dat blijkbaar nog niet zo bekend was.
Maurits, zoon van Willem van Oranje, werd al op 17-jarige leeftijd aanvoerder van het Nederlandse leger. Schilderij van David Queeckborne.
Op het titelblad van de Byencorf zie je de korf in de vorm van een pauselijke tiara (kroon). De kardinalen vliegen er als bijen omheen.