literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Rederijkerskamers waren al sinds de vijftiende eeuw belangrijk voor de ontwikkeling van de literatuur. De rederijkers experimenteerden graag met literaire technieken, om hun werk zo mooi mogelijk te maken. Na 1600 wisselden de kamers hun besloten karakter in voor meer openheid. De rederijkers keken met de blik van de burger uit de steden en dorpen naar de samenleving. Vaak leverden ze felle kritiek op de overheid.

Rederijkersliteratuur
Rederijkers experimenteren met literaire technieken. Na 1600 geven de rederijkerskamers hun besloten karakter op.

Rederijkersliteratuur werd in de Nederlanden al sinds de vijftiende eeuw gemaakt door burgers en ambachtslieden die in amateurverenigingen (rederijkerskamers) bijeenkwamen. Dichten was voor hen geen beroep, maar een hobby, die in dienst stond van het algemeen belang. De kamers organiseerden regelmatig landjuwelen, literaire wedstrijden. De deelnemers konden dan in verschillende categorieën een gedicht of een toneelstuk inbrengen. Het wedstrijdthema was altijd een godsdienstige, politieke of morele vraag of stelling. Zoals bij de huidige poetry slams waren de voordrachten en opvoeringen openbaar, maar de andere activiteiten van de rederijkerskamers waren besloten en alleen toegankelijk voor leden.

Rederijkers besteedden veel aandacht aan de vormgeving van hun teksten. Ze hadden er tal van uitdagende regels voor. Het ging erom wie binnen de gestelde grenzen de mogelijkheden van de taal het ‘kunstigst’ wist te gebruiken om zijn boodschap over te dragen. Achter die vormvastheid zat ook een diepere gedachte. Men ging ervan uit dat God orde in de schepping had aangebracht, van macroniveau (de kosmos, het heelal) tot op microniveau (het menselijk lichaam). De mens moest in de kunsten (bijvoorbeeld poëzie, muziek, architectuur) proberen deze goddelijke harmonie, deze perfecte verhoudingen te weerspiegelen in inhoud en vorm. Aandacht voor de vorm ging niet ten koste van de inhoud, maar was daar juist een eerbetoon aan.

Bij het zoeken naar die harmonie richtten de rederijkers zich vooral op de herhaling van versregels en rijmklanken en op de volgorde van versregels en woorden. Zo is er het refrein, een gedicht van meerdere strofen waarbij aan het slot van iedere strofe dezelfde regel (de ‘stokregel’) herhaald wordt. De stok geeft ook de kern van het gedicht, zoals in een zestiende-eeuws refrein van de Bosschenaar Jacob Cassiere: ‘’S werelds samblant is als drijfzand: niet zonder God’ (de uiterlijke schijn van de wereld is als drijfzand: niets zonder God). Cassiere schreef een ‘vroed’ (wijs, ernstig) refrein, maar het kon ook ‘in ’t amoureuze’ (over de liefde), zoals in: ‘Lief, stoet mij om, oft ik vall’ allijne’ (Liefste, duw mij op mijn rug, anders ga ik zelf liggen). De derde mogelijkheid was ‘in ’t zotte’ (komisch) zoals in een refrein waarin gespot wordt met het kloosterleven. Elke strofe loopt uit op de grap ‘dat Christus ter bruiloft was, en nooit in geen profes’ (dat Christus wel op een bruiloft was (te Kana), maar nooit in een klooster). De laatste strofe van het refrein wordt traditioneel gericht aan de ‘Prins’: de voorzitter van de rederijkerskamer.

Een moeilijkere dichtvorm met herhaling is het rondeel. Zoals de naam aangeeft, loopt het rond en vormen de regels een cirkel. Een rondeel bestaat meestal uit acht regels waarvan de eerste twee ook de laatste twee zijn, en de eerste regel bovendien herhaald wordt in de vierde. Hoewel er prachtige rondelen bestaan, zoals van de vijftiende-eeuwse Brugse dichter Anthonis de Roovere (‘Wie door de wereld wil geraken, die moet kunnen huilen met de honden’), doen ze ook vaak geforceerd aan. Bredero laat in Klucht van de koe (1612) een domme boer trots een drakerig rondeel afsteken, compleet met moeilijke en verhaspelde woorden. De boer zinspeelt ook nog eens op de drankzucht die buitenstaanders de rederijkers graag verweten:

Ik brengt u eens met discordatie,
en ik hoop, gij zultet wachten plaan,
al en is dit geen fraaie arguwatie.
Ik brengt u eens met discordatie,
ja, al maak ik weinig dispensatie,
so sult gij het annemen saan.
Ik brengt u eens met discordatie,
en ik hoop, gij zultet wachten plaan,
gij zijt mijn alderliefste graan.

Ook rijmvormen zijn in rederijkersliteratuur volop te vinden. Naast het gebruikelijke eindrijm is er ook kettingrijm (het laatste woord van een regel rijmt op het eerste woord van de volgende regel) en dubbelrijm (de laatste twee woorden van een regel rijmen op de laatste twee van de volgende regel). Het extreemst is het aldicht, waarbij alle woorden van een regel rijmen op alle woorden van de volgende regel. Met de rijm- en woordvolgorde wordt geëxperimenteerd in een retrograde: zo’n gedicht kun je probleemloos van achter naar voren lezen. In 1612 verscheen een lofdicht op prins Maurits, in de vorm van een retrograde:

Eel Belgica vruchtbaar geeft Gode lof en prijs
veel Helden vroom baart gij ook scheepsvolk kloek end’ wijs
wijck geen neemt Mars vivit Prinsen Heren op waakt
rijk en sterk Nederland krijg en zeevaart maakt.

Aandacht voor de volgorde van de versregels is er ook in het acrostichon, waarbij iedere versregel of iedere strofe begint met de letter van iemands naam (zoals het Wilhelmus). Matthijs de Castelein, die allerlei dichttechnieken en versvormen beschreef in zijn Const van Rhetoriken uit 1555, nodigde de lezer uit om zélf de volgorde van de regels te bepalen: hij biedt een schaakbord aan waarvan ieder vakje gevuld is met één versregel. Door verschillende routes te kiezen, kun je er volgens hem 38 balladen mee samenstellen.

Bij al die aandacht voor de structuur van poëzie is het opvallend dat rederijkers lang geen metrum gebruikten. Pas in de tweede helft van de zestiende eeuw gingen ze zich toeleggen op metrische verzen, vooral in sonnetten en liederen.

Verder lezen
De intrede van de Dordtse rederijkerskamer De Fonteynisten voor de rederijkerswedstrijd in Vlaardingen in 1616. Anoniem schilderij.
Toneelrepetitie in de Haarlemse kamer De Wijngaerdtranken. Schilderij van Job van Berckheyde, die zelf lid van deze kamer was (tweede helft zeventiende eeuw).
Op dit ironische schilderij uit ongeveer 1655 zinspeelt Jan Steen op het populaire rijmpje ‘Rederijkers kannekijkers’. Onder het venster is het blazoen van de kamer gedeeltelijk zichtbaar – Steen waagt zich er niet aan het precies weer te geven en zo de kamer te identificeren!
In 1612 drukte Nicolaas van Geilkerken uit Leiden deze ereprent voor prins Maurits, met gedichten van rederijkers. De afbeeldingen in de rand sommen Maurits’ overwinningen op.