literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

In 1602 wordt de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht, die weldra uitgroeit tot de grootste multinational van haar tijd. Het is voor de Republiek der Verenigde Nederlanden het begin van een tijd van grote economische voorspoed en culturele bloei, de Gouden Eeuw. Die term is synoniem geworden met de periode tussen 1600 en 1700, vooral in de Noordelijke Nederlanden.

Gouden tijden
De culturele en economische bloeiperiode in de Noordelijke Nederlanden tussen 1600 en 1700 wordt vaak de Gouden Eeuw genoemd. Oorspronkelijk slaat de benaming Gouden Eeuw op een legendarische tijd waarin niemand hoefde te werken.

Zeventiende-eeuwers gebruikten zelf overigens de woorden Gouden Eeuw nog niet voor hun eigen welvarende tijd. Zij dachten bij die term in de eerste plaats aan een tekst uit de klassieke Latijnse literatuur die ieder ontwikkeld mens ooit wel eens had gelezen, in het origineel of in vertaling: het begin van de Metamorfosen van de Romeinse auteur Ovidius (43 v. Chr.-18 na Chr.). Ovidius vertelt het scheppingsverhaal zoals de Romeinen het kenden rond het begin van de christelijke jaartelling. Als uit de vier elementen vuur, lucht, aarde en water het heelal en de wereld zijn gevormd, en wanneer de mens is geschapen als hoogste van de levende wezens, breekt een ‘aurea aetas’ aan, een gouden tijd van universele harmonie. Oorlog en criminaliteit zijn onbekend. Scheepvaart bestaat niet, akkerbouw evenmin. De mensen zijn tevreden met elkaar, met hun woonplaats en met hun vegetarische leven. Hun voedsel bestaat uit de vruchten aan struiken en bomen. Ovidius’ tekst werd in de zeventiende eeuw onder meer door Vondel vertaald:

De gouden tijd kwam eerst tevoorschijn, die gezind
tot deugd, uit hare aard rechtvaardigheid bemint.
[…]
Het was gedurig lente, en ’t westewindekijn
met lauwe adem streelde in held’re zonneschijn
de bloemen, die vanzelf uit d’aarde geurig sproten.
De klei teelde ongebouwd, gewillig, onverdroten
het welig veldgewas. Het veld schonk onvermoeid
de zwangere korenaar. De melk en nectar vloeit
als water. D’eik in ’t wild scheen honingdauw te geven.

Ovidius’ vreedzame gouden eeuw is een utopie, een literaire droom van een verloren paradijs. Zeventiende-eeuwers hadden dat goed begrepen, en herkenden het contrast met hun eigen tijd. Ze zagen scherp dat de rijkdom van hun Republiek der Verenigde Nederlanden juist het gevolg was van gewonnen oorlogen, succesvolle zeevaart, en een bloedig bevochten concurrentiepositie in de internationale handel en economie.

Pas veel later, vanaf het begin van de negentiende eeuw, gaan Nederlanders het tijdvak tussen 1600 en 1700 de Gouden Eeuw noemen. In andere landen gebeurt ongeveer hetzelfde wanneer men de eigen bloeiperiode een naam wil geven. Het goud wordt in deze uitdrukking letterlijk genomen: in de zeventiende eeuw beschikte de Republiek der Verenigde Nederlanden over enorme materiële rijkdommen, met Amsterdam als het centrum van de wereldhandel. Tegelijkertijd heeft de term een figuurlijk aspect: in de Gouden Eeuw glansde en schitterde de Nederlandse cultuur op wereldniveau met schilders, architecten, componisten, dichters, uitvinders en wetenschappers.

Deze bloei ontstond door een combinatie van factoren: de natuurlijke ligging aan waterroutes, wereldwijde handelscontacten, een geavanceerde scheepsbouw, de combinatie van vruchtbaar platteland met geïndustrialiseerde steden, het betrekkelijk hoge opleidingsniveau van de bevolking, de relatieve zwakte van andere Europese staten, en een grote rol van het particulier initiatief in financieel-economische zaken. Vanaf 1585, toen tijdens de Tachtigjarige Oorlog de Spanjaarden definitief de macht terugkregen in Vlaanderen en Brabant, waren bovendien zo’n 150.000 protestantse zuiderlingen als immigranten naar Holland en Zeeland gekomen. Zonder hun injectie van kapitaal, deskundigheden en arbeidskracht zou de Gouden Eeuw beslist minder rijk en minder stralend zijn geworden. De dichter Jacob Cats brengt al het voedsel dat Nederland uit de hele wereld importeert in verband met Gods wonderbaarlijke zegen:

Zo wie maar eens betreedt de ring van onze kusten,
die vindt een schoon prieel vol allerhande lusten.
Al wat de hemel zendt, of uit de aarde groeit,
dat komt ons met de zee de haven ingevloeid.
God is gelijk een zon, die duizend gouden stralen
laat op onz’ kleine tuin gedurig nederdalen.
Wat ooit aan bomen hing of op de velden stond,
dat komt hier aan het volk gevallen in de mond.
Wat lijdt het heet Braziel op heden felle slagen
om aan ons verre land zijn vruchten op te dragen:
hier is geen suikerriet, dat in de dalen wast,
en toch wordt hier de jeugd met suiker overlast.
Het Indisch rijk gewas van peper, foelie, noten,
wordt hier gelijk het graan op zolders uitgegoten.
Men plukt hier geen kaneel of ander edel kruid,
wij delen ’t evenwel met ganse schepen uit.
Bedenk dit, Hollands volk, bedenk de hoge zegen,
die u door Godes hand als wonder is verkregen:
in al het rijk gewas zijn uwe velden schraal,
maar gij die zelf niets hebt, ge hebt het allemaal.

De Spaanse gebieden waaruit de vluchtelingen wegtrokken (ongeveer het huidige België) bleven economisch ver achter bij de Republiek, maar het Spaanse hof in Brussel en de rooms-katholieke kerk gaven veel geld uit aan kunst. Schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur beleefden er daardoor een bloeiperiode die voor het buurland niet onderdeed.

Verder lezen
De handel op Indië was een belangrijke bron van welvaart. Hier keert een van de eerste vloten terug uit Azië in de Amsterdamse haven.
Abraham Bloemaert tekende in 1603 de harmonieuze samenleving van Ovidius' aurea aetas.
De Amsterdamse Beurs was het Europese centrum voor de handel in geld en goederen.
De Zuidelijke Nederlanden werden door Spaanse landvoogden bestuurd vanuit het paleis op de Coudenberg in Brussel.