literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Rond 1600 kwam speciaal voor een jong lezerspubliek in de grote steden in het noorden een nieuw soort literatuur op de markt, embleembundels over de liefde. De Nederlandse dichters maakten hun eigen variant op Italiaanse en Franse voorbeelden.

Liefde in woord en beeld
Bundels met liefdesemblemen veroveren de markt. Ze zijn de Nederlandse variant van een internationaal netwerk.

De emblematiek was in Italië en Frankrijk al 70 jaar lang een succes. In dit genre worden woord en beeld gecombineerd en komen meestal drie onderdelen voor: een afbeelding (de pictura), een éénregelige tekst (het motto, ook wel de inscriptio genoemd) en een langer onderschrift in poëzie of proza (de subscriptio). De lezer moet deze drie combineren om de bedoeling van het embleem (letterlijk: het afdruksel, dat een betekenis in zich heeft) te doorgronden. Emblemen zijn dus een heel activerende vorm van literatuur. In de Nederlanden ontstond in de zeventiende eeuw een levendige embleemtraditie, waarbij auteurs en beeldend kunstenaars vaak samenwerkten. Hoewel de onderwerpen vrij waren, was er een duidelijke voorkeur voor het liefdesthema.

Een van de eersten die buitenlandse voorbeelden van liefdespoëzie in emblemen navolgde, was de Leidse hoogleraar Daniël Heinsius (1580-1655). Hij was geboren in Gent en als kind met zijn ouders naar het noorden gevlucht. In 1601 gaf hij samen met een aantal vrienden een embleembundel uit onder de titel Quaeris quid sit amor (Wil je weten wat de liefde is). Ondanks deze Latijnse titel was de inhoud grotendeels in de volkstaal: het Nederlands. In de voorrede van Quaeris quid sit amor, gericht aan de ‘Jonge vrouwen van Holland’, beschrijft Heinsius hoe de godin Venus naar deze welvarende provincie kwam om hun te vragen haar zoon Cupido Nederlands te leren:

Zelf Venus van dit jaar (het is niet lang geleden)
kwam vroyelik en blij naar Hollands rijke steden,
den zilveren dauw kwam, gedruppeld hier en daar
waar zij ging ofte stond, van haar schoon gouden haar.
Zij wou dat haren zoon bij mij wat zou verkeren,
opdat hij onze spraak van Holland mochte leren.

Heinsius laat in dit gedicht zien dat liefdesliteratuur in de Nederlandse taal bestaansrecht heeft. Zelfs de godin van de liefde heeft immers interesse voor het Nederlands en haar zoon, die met zijn pijlen mensen verliefd maakt, zal hier komen wonen.

In zijn tweede bundel liefdesemblemen, Het ambacht van Cupido (1613), gaat Heinsius nog een stapje verder. In het embleem In lubrico (Op glad ijs) zien we Cupido op de schaats. Het onderschrift (de subscriptio) luidt:

Cupido leert het spel dat Holland heeft gevonden,
Hij proeft te gaan op ’t ijs, hij heeft twee schaatsen aan.
Hij heeft twee ijzers scherp aan zijne voet gebonden,
Daar mede dat hij meijnt, op ’t water vast te staan.
Het ijs van zelfs is glad, de ijzers glad daartegen,
men valt zeer lichtlijk daarop of ook daarin.
Met vrijen gaat alzo: die niet en is te degen
geslepen op het werk, die duizelt in de min.

Blijkbaar heeft Cupido tijdens zijn verblijf in Holland niet alleen de Nederlandse taal onder de knie gekregen, maar ook een typisch Nederlandse sport, schaatsen. De pictura (afbeelding) toont een Nederlands winterlandschap en de liefdesgod op de Hollandse houten schaats. Cupido op het gladde ijs is een beeld van de risico’s van de liefde: wie niet weet dat het ijs glad is, loopt gevaar.

Heinsius’ voorbeeld werd op grote schaal nagevolgd. Bijvoorbeeld door Otto Vaenius (1556-1629), leermeester van Peter Rubens en toonaangevend met zijn meertalige Amorum emblemata (Emblemen over de liefde). In 1611 verscheen in Amsterdam de bundel Emblemata amatoria (Liefdesemblemen) van Pieter Hooft (1581-1641). Naast emblemen in drie talen (Nederlands, Latijn, Frans), bevatte deze bundel ook andere populaire genres: liederen en sonnetten. Door de combinatie van genres kon dit boek in een gezelschap optimaal worden gebruikt voor zang, voordracht van poëzie en discussie over de interpretatie van de emblemen.

In embleembundels gaat het met de liefde meestal niet van een leien dakje. De dichters vertellen vooral over de ongelukkige liefde, zoals ook hun grote voorbeeld Petrarca gedaan had. Deze veertiende-eeuwse Italiaanse dichter schreef poëzie over het lijden van de minnaar als gevolg van de grillige hardvochtigheid van de vrouw. De minnaar geeft zijn pogingen haar te veroveren echter niet op, omdat hij hoopt haar toch eens te winnen én omdat de verliefdheid weliswaar een bitter maar tegelijk ook een zoet gevoel is. Dat gevoel kenden verliefden in het echt natuurlijk ook, maar tevens toonde de poëzie aan dat volhouden een goede zaak was. De man moest zijn pogingen niet te snel opgeven, de vrouw moest niet te snel toegeven. Hun standvastigheid is het bewijs dat ze begrepen hebben dat liefde een serieuze zaak is.

Voor Jacob Cats (1577-1660) stond dat laatste voorop. Hij gaf in zijn embleembundel Sinne- en minnebeelden uit 1618 zakelijke adviezen om een geschikte huwelijkspartner te vinden. Man en vrouw moesten in de eerste plaats in milieu, afkomst en religie overeen stemmen en ook moesten ze in hun karakter bij elkaar passen. En verder moest je een huwelijk nooit hals over kop beginnen. Cats voegde ook iets nieuws toe aan het genre van de liefdesemblematiek: elke pictura kreeg drie teksten, elk voor een bepaalde leeftijdsgroep. Na de eerste tekst voor ongehuwden, volgde er een voor gehuwden en een voor ouden van dagen, die vaak al weduwnaar of weduwe waren. Zij werden er op passende toon toe gemaand de Bijbel en Gods tweede boek, de natuur, te bestuderen. Zo leidde één pictura tot drie lessen.

De bloei van deze liefdespoëzie viel – althans voor de welvarende gewesten van de Republiek, zoals Holland – samen met een relatief lange periode van stabiele welvaart. In Amsterdam werd tussen 1600 en 1620 veel getrouwd, misschien mede als gevolg van die welvaart. Bij een huwelijk of een verloving was een embleembundel een populair cadeau. Uitgevers besteedden extra zorg aan de illustraties en het drukwerk en kopers konden hun exemplaren luxe in laten binden. Op de titelpagina van Heinsius’ Emblemata amatoria is zelfs een speciale witruimte vrijgehouden om het wapen af te drukken van degene aan wie het boek zou worden gegeven.

Verder lezen
Cupido leert het spel dat Holland heeft gevonden,
Hij proeft te gaan op ’t ijs, hij heeft twee schaatsen aan.
Hij heeft twee ijzers scherp aan zijne voet gebonden,
Daar mede dat hij meijnt, op ’t water vast te staan.
Het ijs van zelfs is glad, de ijzers glad daartegen,
men valt zeer lichtlijk daarop of ook daarin.
Met vrijen gaat alzo: die niet en is te degen
geslepen op het werk, die duizelt in de min.
Een embleem met motto en subscriptio in drie talen, uit Hoofts Emblemata amatoria.
Cats adviseert jongens om kleur te bekennen want dan vertrouwt een meisje de zaak pas. Hij waarschuwt in de tweede tekst om geen aanleiding tot roddel te geven, want geruchten gaan snel rond. De derde tekst is gebaseerd op de bijbelpassage Lucas 11:9: Bidt en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden.