literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Maria Tesselschade Visscher werd door haar vrienden uitbundig geprezen om haar literair talent. In de negentiende eeuw maakten geschiedschrijvers zelfs een ideale vrouw van haar. Intussen weten we niet eens hoe ze eruit zag.

Maria Tesselschade Visscher, intelligente vriendin in een mannenbolwerk
De talentvolle schrijfster Tesselschade Visscher aarzelde niet om haar mening te geven.

Visscher (Amsterdam, 25 maart 1594 – Amsterdam, 20 juni 1649) zat helemaal niet op veel aandacht te wachten. Ze vond het niet nodig om een portret te laten maken en evenmin om haar werk te laten drukken. Er zijn maar 32 gedichten van haar bewaard gebleven; de meeste circuleerden in handgeschreven afschriften in een kleine kring. Bij het grote publiek waren haar naam en haar werk niet bekend.

Maar ze had wel het talent, de kennis en ook de ambitie om even goed te schrijven als de ‘grote’ Nederlandse auteurs van haar tijd. Ze kende Hooft, Bredero, Cats, Vondel, Huygens en Barlaeus (die altijd in het Latijn schreef) persoonlijk, omdat haar vader Roemer Visscher thuis artistieke avonden organiseerde. Hooft was haar belangrijkste contactpersoon, ook met Huygens en Barlaeus was ze goed bevriend. Dankzij een moderne en veelzijdige opvoeding wist ze veel van literatuur, kende ze Frans, Italiaans en een beetje Latijn. Ze was trouwens helemaal artistiek aangelegd want ze schilderde, bespeelde verschillende muziekinstrumenten en kon prachtig glas graveren.

Haar dichterlijke vrienden reageerden enthousiast op haar werk. Behalve haar talent en intelligentie roemden zij keer op keer ook haar charmante schoonheid. Sommige schrijvers waren openlijk of heimelijk verliefd op haar, allemaal zonder succes overigens. Visscher ging haar eigen gang.

Het volgende liefdesliedje, op de melodie van de Franse tekst L’Orangée, is opmerkelijk want vrouwen schreven bijna nooit over de liefde. De ik, de lezer mag beslissen of dat een zij of een hij is, probeert eerst tevergeefs een vurige verliefdheid kwijt te raken. Zij/hij volgt daarna het sluwe advies op van het liefdesgodje Cupido (de zoon van liefdesgodin Venus) en metselt de gevoelens in. Dat was niet zo slim: zo bleven ze juist in het hart zitten! Het lied werd in verschillende zeventiende-eeuwse liedboekjes gedrukt. Of Visscher het hier over eigen liefdesverdriet heeft, is niet bekend.

Hoe krachtig ik verpijn Hoe hard ik ook mijn best doe
Hoe krachtig ik verpijn
door de waarheid of door schijn
te smoren met een koude praat
’t geen vurig in mijn hartje staat,
het suiend slapen doet vermaên
’t sluimerig en ’t soet:
een genuchje,
een geduchje,
een zuchje alsem bitter suikerzoet.
Hoe hard ik ook mijn best doe
om in het echt of voor de schijn
met koele taal te doven
wat vurig in mijn hartje brandt,
de sussende slaap vertelt toch
wat er zoetjes sluimert:
een beetje genot,
een beetje vrees,
een vleugje zo bitter als alsem en zo zoet als suiker.
De Min mij leren wou,
hoe ik best vergeten zou,
hetgeen ik niet vergeten kost,
dat ik er staag om denken most:
‘Ja muurt en metst in uw gedacht,
en zo gij enkel wroet
om het smartje
uit uw hartje
te weren,’ zeid’ hij, ‘dit ’s de beste voet.’
Het liefdesgodje wilde mij leren
hoe ik het best zou vergeten
wat ik niet vergeten kon,
omdat ik er steeds aan moest denken:
‘Ja, metsel vast waar u steeds aan denkt,
en als u fanatiek ploetert
om het pijntje
uit uw hartje
weg te houden,’ zei hij, ‘dat is de beste manier.’
Wel lustte mij de daad
van het stokevuurtje kwaad.
’k Behield wat ik wou rooien uit;
dit is het aardje van de guit,
die met slimme met loze treken
- dwingelandjes gril -
door zijn krachjes,
in gedachjes,
wil wonen waar men hem niet hebben wil.
Ik had wel zin in die opdracht
van het geniepige stokertje.
Maar ik hield vast wat ik uit wilde roeien;
dat is het karakter van die grapjas,
die met slimme en sluwe streken
- de wispelturigheid van een dwingelandje -
door zijn krachtjes
in hoofdjes
wil wonen waar men hem niet hebben wil.

Visscher kwam uit een familie met meer schrijvers: haar vader Roemer en haar oudere zus Anna. Haar vader gaf haar met haar tweede naam, Tesselschade, een levensadvies mee. Die naam herinnerde aan een scheepsramp bij Texel, enkele maanden vóór haar geboorte, waarbij Roemer Visscher flinke verliezen geleden had. Hij bedoelde: denk eraan dat het aardse bezit vergankelijk is maar dat je het toch nooit zomaar op het spel zet, want je kunt dan anderen beschadigen.

In 1623 trouwde Visscher met de zeeofficier Allard Crombalch; Vondel, Hooft en Huygens feliciteerden hen in bruiloftsgedichten. Het paar ging in Alkmaar wonen en het contact met de andere dichters nam af. Totdat een ramp gebeurde. In 1634 stierven onverwacht op één dag Visschers oudste dochter Teetgen en haar man. Dit is Gods wil, daar moet ik me in schikken; ik huil van binnen maar niet van buiten, schreef ze. Huygens stuurde haar een gedicht, met bewondering voor deze rustige standvastigheid. Toen hij een paar jaar later zelf onverwachts weduwnaar werd, stuurde zij hem, via Hooft, een gedicht terug, waarin ze hem tips gaf om zijn verdriet te verwerken.

De tekst zit vol woordspelingen, vooral met de namen. Centraal staan Huygens’ echtgenote Susanna van Baerle (Mevrouw van Sulecom) en Huygens zelf. De dood van de eerste zorgt voor ‘baerelijke rouw’, en brengt baren (golven) in de zee van droefheid. De weduwnaar noemde zichzelf graag Vastaard, met een woordspeling op zijn voornaam Constantijn, maar hij is op dit moment bepaald niet de stabiele persoon uit zijn eigen devies. Bij deze twee namen komt misschien nog een derde, als de kopiist van het gedicht, Laurens Baeck, in de eerste regel de hoofdletter invoegde om de aandacht op zichzelf te vestigen.

Aan mijnheer Hooft, op het overlijden van Mevrouw van Sulecom Aan meneer Hooft, bij het overlijden van mevrouw Van Zuilichem
Die als een Baak in zee van droefheid wordt gehouwen,
geknot van stam en tak, en echter leven moet,
zendt u dit zwak behulp voor ’t troosteloos gemoed,
gedompeld in een meer van Baerelijke rouwen.
Zegt Vastaard dat hij mocht pampieren raad vertrouwen
zo d’innerlijke smart zich schriftlijk uiten kon.
Hij staroog’ in liefs glans als aadlaar in de zon
en stell’ zijn leed te boek, zo heeft hij ’t niet t’ onthouwen.
Pampier was ’t wapentuig waarmee ik heb geweerd
te willen sterven, eer ’t de Hemel had begeerd,
daar overwon ik mee, en deed mijn vijand wijken.
Zijn eigen lesse leer’ hem matigen zijn pijn,
want kwelling op de maat en kan zo fel niet zijn.
Bezweer hem dat hij zing’ op maatzang droevelijken.
Degene die als een baken in een zee van droefheid wordt beschouwd,
terwijl stam en tak afgesneden zijn, en toch moet overleven,
zendt u [Hooft] deze kleine steun voor Huygens’ troosteloze stemming,
nu hij gedompeld is in een zee van onmiskenbare rouw.
Zeg tegen Vastaard dat hij papieren raad kan vertrouwen
als hij zijn innerlijke pijn met woorden kan uiten.
Hij moet naar de stralen van zijn geliefde blijven staren
zoals een adelaar in de zon kan kijken
en zijn verdriet opschrijven, dan hoeft hij het niet te onthouden.
Papier was het wapen waarmee ik de wens om te sterven
vóórdat God dat wenste, heb tegengehouden,
daar overwon ik mee en dwong mijn vijand terug.
Huygens’ eigen les moet hem leren zijn pijn af te zwakken,
want de kwelling van poëzie kan zo hevig niet zijn.
Druk hem op het hart dat hij droevige gedichten maakt.

Dat hielp. Jaren later, in 1681, toen de schrijfster al meer dan dertig jaar dood was, herinnerde Huygens zich het nog:

Tesselschades wijs onderwijs in 1637

De kloeke Tesselscha, die ’k nooit en kan vergeten,
heeft m’ haar vertroosting eens zo geestig toegemeten
dat vriend en vreemdeling bekennen, wie het hoort,
dat nooit zo’n sterke zin geschroefd stak in één woord.
Zij zag mij kwijnen in een diepe rouw, met reden,
waar nog mijn oude hart kan zuchten aan besteden.
Zij raadde, wild’ ik eens ten kortste zijn verlicht
dat ik mijn klachten heel uitrijmen zou, in dicht.
Zó zei zij ’t (hoor, en leer zo spreken, mans van vrouwen!):
Heer, stel uw leed te boek, zo hoeft gij ’t niet te onthouwen.

Hoezeer Huygens Tesselschade ook bewonderde, hij heeft ook met haar in de clinch gelegen. Dat kwam door haar beslissing, in 1641, om de protestantse kerk te verlaten en rooms-katholiek te worden, het geloof dat haar vader vóór zijn huwelijk gehad had. Waarom ze dit deed, is niet zeker. In elk geval stond het haar tegen dat de protestantse kerk intern zo verdeeld was. Daarnaast was ze misschien overtuigd geraakt van de katholieke opvatting dat God je je zonden vergeeft als je echt berouw hebt, terwijl veel protestanten menen dat de mens geen invloed heeft op Gods beslissing. Verder speelde mogelijk mee dat in het rooms-katholicisme de druk op weduwen om te hertrouwen minder groot was. Barlaeus, Hooft en Huygens hadden eerst moeite met haar stap. Vooral Huygens vond het maar dom. Visscher bleef ferm op haar stuk staan en bracht daarmee haar zinspreuk Elk zijn waarom (Ieder zijn argumenten) in praktijk. Uiteindelijk wist ze het respect van haar vrienden af te dwingen.

Door haar werk en haar zelfstandige houding, door de reacties van haar tijdgenoten en door haar bijzondere naam werd ‘Tesselschade’ in kunstenaarskringen al in de zeventiende eeuw legendarisch. Ze ging zelfs de literatuurgeschiedenis in zonder achternaam. Toen de negentiende-eeuwse geschiedschrijvers zochten naar geschikte modellen uit het verleden waarop Nederlanders trots konden zijn, lag het voor de hand om ‘Tesselschade’ uit te kiezen. Ze werd opgehemeld als ideale vrouw: kunstzinnig, verstandig, mooi en deugdzaam. Rond 1870 kozen feministes van het eerste uur haar als inspiratiebron voor een vereniging om zelfstandige vrouwen financieel te steunen: Tesselschade-arbeid adelt.

Verder lezen
Tekening van een onbekende vrouw door Henrick Goltzius uit het begin van de zeventiende eeuw. Tot ongeveer 1950 werd ten onrechte gedacht dat dit Tesselschade Visscher was.
Een roemer (Romeins groen glas) met de tekst ‘A demain les affairs’ (de zaken morgen; nu andere dingen), door Visscher in 1632 gegraveerd op verzoek van Hooft.