literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Het belangrijkste gebouw van Amsterdam staat midden in de stad: het Paleis op de Dam. Maar het is niet altijd een paleis geweest. Het is gebouwd als stadhuis van de stad die rond 1650 het grootste handelscentrum en de belangrijkste haven ter wereld was. Schilders en dichters kozen het enorme stadhuis als onderwerp om de economische bloei en de wijsheid van het stadsbestuur de hemel in te prijzen.

Schrijven voor een speciale gelegenheid
Dichters in de Gouden Eeuw hadden een duidelijke maatschappelijke functie. Ze moesten belangrijke gebeurtenissen vereeuwigen met een gedicht.

Bij de opening van het stadhuis in 1655 publiceert Vondel een gedicht van 44 bladzijden: Inwydinge van ’t Stadthuis t’Amsterdam. Hij beschrijft het gebouw als een bruid op haar trouwdag om wie iedereen heen danst; niet alleen de Amsterdamse burgers, maar ook de Amstel en het IJ, de omringende steden en provincies, tot en met de sterren in de hemel. Zo situeert de dichter de stad Amsterdam, het stadhuis en het stadsbestuur in het midden van het heelal. Het gebouw is een voorbeeld van volmaakte harmonie, en Vondel doet het voorkomen dat harmonie ook het sleutelbegrip is van Amsterdams handelsrelaties met de rest van de wereld: waar Hollandse kooplui komen, heerst rechtvaardigheid en wordt iedereen beloond naar verdienste. Vondel heeft het niet over koloniale oorlogen of internationale handelsconflicten, maar vertelt hoe oceanen en werelddelen uit dankbaarheid voor de Amsterdamse wijsheid spontaan hun geschenken komen aanbieden.

De Inwydinge van ’t Stadthuis t’Amsterdam is een goed voorbeeld van de maatschappelijke rol van zeventiende-eeuwse poëzie. Dichters schreven nauwelijks over hun eigen emoties, maar over de idealen van de samenleving. Bijvoorbeeld over de wijsheid van stadsbestuurders, de dapperheid van militairen, de leergierigheid van scholieren en de zorgzaamheid van vrouwen. Ze vertelden niet hoe het leven er werkelijk uitzag, maar hoe het idealiter zou kunnen zijn.

Dikwijls werd dichters gevraagd om iets te schrijven bij openbare gebeurtenissen: een huwelijk, een begrafenis, de opening van een gebouw, het begin van een oorlog, een gewonnen zeeslag of hoog bezoek van een vorst. Gedichten voor zulke gebeurtenissen heten gelegenheidsgedichten. Ze werden hardop voorgelezen en belangstellenden kregen ze op een apart vel mee naar huis. De dichter ontving er een kleine beloning voor.

Vondel was in Amsterdam de belangrijkste gelegenheidsdichter, en daarom mocht hij het grote gedicht schrijven bij de inwijding van het Stadhuis. Maar hij had een concurrent die veel aandacht trok, ook al was zijn poëzie van matige kwaliteit: Jan Vos, een glashandelaar die zich had opgewerkt tot schouwburgdirecteur. In juni 1660 mocht hij praalwagens maken bij het bezoek van prinses Mary, de weduwe van stadhouder Willem II. Op een van de wagens had Vos heel realistisch en bloederig de onthoofding van Mary’s vader uitgebeeld, de Engelse koning Karel I. De prinses, die vanuit het nieuwe Stadhuis de optocht gadesloeg, viel bijna flauw van schrik.

Ook in het onderwijs werd veel aan gelegenheidspoëzie gedaan. Leraren van de Latijnse scholen schreven toneelstukken voor de jaarlijkse grote avond en gingen daarbij in op de actualiteit. Leerlingen moesten als oefening gedichten schrijven bij belangrijke gebeurtenissen op hun school of in hun stad. In de Zuidelijke Nederlanden maakten leerlingen van jezuïetenscholen jaarlijks emblemen over het leven op school. De resultaten, affixiones genoemd (=affiches), werden in de school opgehangen en later in mooie albums bewaard. Vooral uit Brussel zijn er veel overgebleven. Wie ze nu bekijkt, ziet dat veel scholieren graag een woordspelletje maakten op hun achternaam, of iets gebruikten uit hun dagelijks leven.

Verder lezen
Het Amsterdamse stadhuis torende als grootste gebouw van de stad boven alles uit.
De Amsterdamse stedenmaagd ontvangt de eerbewijzen van de oceanen. Beeldhouwwerk op de voorzijde van het Stadhuis te Amsterdam.
Vondel kreeg veel verzoeken voor gelegenheidsgedichten. Dit is zijn grafschrift voor de kaartenmaker Blaeu uit 1673.
Een leerling van het Brusselse jezuïetencollege maakt in 1646 een affixio met een wijze les over een tennisbal: hoe harder je wordt geslagen, des te hoger zul je klimmen.