literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Veel stadsbewoners dromen tegenwoordig van een tweede huisje, al is het maar een stacaravan. In de zeventiende eeuw was het niet anders. Alleen was toen een vakantie buiten de drukke, rumoerige stad alleen weggelegd voor echt rijke mensen. Wat nu een stacaravan is, was toen een buitenhuis op een buitenplaats. Langs de Vecht, bij Voorburg en in Kennemerland zijn zulke buitens nog altijd te herkennen.

Aardse paradijzen
Rijke zeventiende-eeuwers laten buiten de steden een buitenplaats aanleggen en nodigen dichters uit er een ‘hofdicht’ over te schrijven.

Trotse eigenaars van buitenverblijven lieten hun bezit vereeuwigen op prenten, schilderijen en in gedichten. Er zijn tussen 1600 en 1800 zo’n honderd Nederlandse hofdichten gemaakt, gedichten over buitenplaatsen. Hun grote voorbeeld is een tekst van de Romeinse dichter Vergilius, die rond het begin van onze jaartelling de Georgica schreef, over de bezigheden op het boerenbedrijf. Van dit gedicht bestaat een mooie moderne vertaling door Ida Gerhardt, Het boerenbedrijf:

Vroeg in het voorjaar, als de sneeuw op ’t grijs gebergte
smelt en bij westenwind de grond weer gaat ontdooien,
moet de os al door de zware bodem trekken, zwoegend,
de ploeg, ’t gesleten ijzer blinken in de vore.
En hoe inhalig ook, de boer houdt niets te wensen
bij ’t land dat tweemaal zon en tweemaal kou gevoeld heeft;
zijn oogst is meer dan rijk en doet de schuren kraken.

Vergilius schreef overigens niet voor echte boeren, maar voor hoge ambtenaren en militairen die zich na een werkzaam leven (vita activa) terugtrokken op een landgoed om in alle rust te kunnen nadenken over het leven. Eenvoudige landarbeid kon volgens de dichter stimulerend werken op zo’n beschouwend bestaan (vita contemplativa).

De Nederlandse hofdichten nemen dat idee van Vergilius over: wie op een buitenplaats woont en zijn tuin cultiveert, krijgt oog voor de diepere betekenis van de natuur. Groei en bloei van planten en het gedrag van dieren sporen aan tot nadenken: bloemen benadrukken de vergankelijkheid van schoonheid, bijen de noodzaak van spaarzaamheid en ijver. Vrijwel altijd volgt een hofdicht de gang van een observerende en filosoferende wandelaar door een ordelijk aangelegde tuin. Het huis blijft overigens steevast onbesproken. Op die manier wordt de parallel met het aardse paradijs uit het bijbelboek Genesis getrokken. Adam en Eva woonden toch ook niet in een stenen huis?

Het bekendste Noord-Nederlandse hofdicht is Constantijn Huygens’ Hofwijck (1651), een geestig autobiografisch relaas over zijn eigen buitenplaats in Voorburg. De titel geeft aan wat hij van zijn weekendverblijf verwacht: een wijkplaats waar hij zich kan terugtrekken na een drukke werkweek aan het hof van de stadhouder in Den Haag.

Opvallend is hoe Huygens, als typische zeventiende-eeuwer, de natuur vooral bekijkt als iets nuttigs. Zijn bomen zijn ‘zaagbaar hout’; de vissen uit zijn vijver zullen straks in gebakken toestand welkom zijn op de eettafel. De tuin van Hofwijck is tegenwoordig veel kleiner dan in 1651, maar het huis staat er nog steeds, en is ingericht als Huygensmuseum. Andere bekende hofdichten zijn Ockenburgh van Jacob Westerbaen (1654) en Ouderdom, buitenleven en hofgedachten op Sorghvliet van Jacob Cats (1658).

Behalve over rijke buitenplaatsbewoners schreven zeventiende-eeuwse dichters ook over gewone boeren, die niet lopen te filosoferen, maar die zaaien, maaien en oogsten op hun akkers. Opnieuw diende een gedicht uit de klassieke oudheid hierbij als inspiratiebron, namelijk Beatus ille (‘Gelukkig is hij’) van Vergilius’ tijdgenoot Horatius. Wat maakt het boerenleven volgens Horatius en zijn latere navolgers zo aantrekkelijk? Het is rustig, en je hebt geen last van stedelijke herrie. Er zijn geen gierige kooplui of onrechtvaardige rechters. Je verbouwt je eigen voedsel, teelt je eigen vee, en leeft volgens het natuurlijke ritme van de seizoenen. Als je tijdig je schuren vult, kun je in de winter alle tijd aan je gezin besteden. In Akkerleven van Hubert Korneliszoon Poot (circa 1722) wordt het beeldend beschreven:

Appels enten, peren plukken,
maaien, hooien; schuur en tas
stapelen vol veldgewas,
schapen scheren, uiers drukken,
zeven kinders en een wijf
zijn zijn daag’lijks tijdverdrijf.

Een paradijs op aarde? Met de harde werkelijkheid van het leven van echte zeventiende- en achttiende-eeuwse boeren hadden ze niet veel te maken, maar als poëtische utopie waren Beatus ille-gedichten eeuwen lang populair.

Verder lezen
Veel van de mooiste buitenplaatsen lagen aan het water, zoals hier rond 1660 bij Haarlem.
Huygens kijkt met bezoekers naar het vissen in de gracht van Hofwijck.
Sorghvliet, het buitenhuis van Jacob Cats, in zijn huidige gedaante.
In de herfst kan de boer het rustig aan doen en van de verse wijn genieten.