literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Op 20 augustus 1672 slachtte een woedende menigte in Den Haag twee belangrijke politici af, de broers Johan en Cornelis de Witt, de één raadpensionaris van de Staten-Generaal, de ander ruwaard van Putten. Zij werden de zondebokken voor de slechte situatie in de Nederlandse Republiek. 1672 is in het noorden de geschiedenis ingegaan als het Rampjaar, met het motto: radeloos (de regering), redeloos (het volk), reddeloos (het land). Ook de schrijvers mengden zich in het gekrakeel.

Straatgewoel in de Nederlandse literatuur
De literatuur volgt de actualiteit op de voet.

De Rotterdamse schrijver Joachim Oudaan was erbij. Verbijsterd noteerde hij in zijn dagboek hoe het volk erop los ging nadat de broers door geweersalvo’s waren gedood. Ledematen en geslachtsdelen werden afgesneden, tongen en ingewanden uitgerukt, de lijken ondersteboven opgehangen aan een galg. De buit werd triomfantelijk getoond, opgegeten of verkocht:

In ’t kort, de dolheid is zo groot geweest dat ik niet machtig genoeg ben, die genoegzaam [goed] uit te drukken, met de penne, zelfs niet met de mond. Naar huis gaande heb ik gekocht de voorste vinger van de heer Johan de Witt, voor twee schellingen en een kannetje oud bier, en drie stuivers voor de brandewijn waar hij die nacht in had gelegen.

Oudaan kocht de wijsvinger niet om de broers te bespotten, maar als eerbewijs, zoals hij in een gedicht duidelijk maakte. Hij was een fel aanhanger van raadpensionaris Johan de Witt, die volgens hem het slachtoffer was geworden van een samenzwering. Zijn tegenstanders hadden hem met valse beschuldigingen van landverraad uit de weg geruimd om hun ideale leider, Willem III, prins van Oranje, als stadhouder aan de macht te helpen. In het toneelstuk Haagsche Broeder-Moord of Dolle Blydschap gaf Oudaan een reconstructie van de orangistische samenzwering en het schijnproces tegen Cornelis de Witt. Johan de Witt krijgt hierin de heldenrol; de Oranje-aanhangers worden als valse volksmenners neergezet. De rechtbank verbant Cornelis de Witt uit Holland. Als zijn broer Johan hem komt ophalen uit de Gevangenpoort, stroomt een menigte toe. Zijn broer ontsteekt in wanhopige woede, maar Johan blijft rustig, hoewel hij beseft dat ze kansloos zijn:.

Mijn waardste, neem geduld: Staat, Vrijheid, Vaderland
is maar een ijd’le klank van namen, zonder stand,
of grondsteun; en verstrekt een speeltuig voor de winden
van ’t wispelturig volk.
Heer Broeder, maak nu staat (ten zij het God verhoede)
dat ons geen hallef uur het leven loopt ten goede.

Het stuk was een tragedie, maar volgens Oudaan heeft de hoofdpersoon De Witt eigenlijk geen fout gemaakt. Als een sterke, oprechte leider blijft hij steeds beschaafd en beheerst. Zijn zus vergelijkt hem zelfs met Christus, verraden door een judaskus en geslacht als een lam.

Niet iedereen dacht er zo over. Integendeel, veel schrijvers stonden aan de kant van Oranje en maakten dat duidelijk in pamfletten. Pamfletten waren populaire, journalistieke blaadjes en boekjes die de actualiteit op de voet volgden. Ze verschenen in grote oplagen, kostten niet veel en werden in de boekwinkels en door marskramers op straat verkocht. Uit pamfletten kon je afleiden welke meningen er onder het publiek leefden, zoals bij ons uit opiniepeilingen. Maar de zeventiende-eeuwse auteurs waren daarbij niet neutraal. Met slimme tactieken probeerden ze de lezer tot goed- of afkeuring van hun standpunt te verleiden. Vanwege hun gewaagde standpunten hielden de schrijvers zich meestal anoniem of gebruikten ze een pseudoniem. In 1672 verscheen een stortvloed aan pamfletten over het conflict tussen de politici De Witt en hun orangistische tegenstanders. Zo klonk het bijvoorbeeld:

Oranje boven, de Witten onder, Wie het anders meent, die slaat de donder

Dat was duidelijk genoeg: wie niet voor Oranje kiest, loopt het gevaar door de duivel gepakt te worden en stelt zich dus bloot aan het kwaad. De broers De Witt worden heel vaak als duivelse schurken afgeschilderd. Op de ochtend van 20 augustus, de dag dat ze gelyncht zouden worden, hing een anoniem pamflet met een gedicht aan de Nieuwe Kerk in Den Haag:

Beëlzebub schrijft uit de hel
dat Kees de Witt haast komen zel.
Hij verwacht hem in korte dagen
maar zijn kop moet eerst zijn afgeslagen.

De predikant van deze kerk, dominee Simonides, had in zijn preken al regelmatig verkondigd dat de broers duivels waren die uitgedreven moesten worden, dus het wekte geen verwondering dat het gedicht juist aan zijn kerkdeur hing. Na hun dood verschenen ook allerlei pamfletten waarin de De Witten nogmaals voor het gerecht gedaagd werden. In die fictieve processen bevestigden ze steevast hun slechte karakter, woedend op de onrechtvaardige behandeling die hun was aangedaan. De auteurs schrokken er dus niet voor terug om hun mening te geven. Ze maken de lezer van nu eens te meer duidelijk hoe dicht de zeventiende-eeuwse literatuur op de huid van de actualiteit kon zitten.

Verder lezen
In het Haags Historisch Museum worden de tong van Johan de Witt en de teen van zijn broer Cornelis bewaard.
De lijken van de broers De Witt, opgehangen aan de galg. Schilderij van Jan de Baen.