literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

‘Iemand die een boerin een kus gaf, klaagde dat haar lange neus hem nogal in de weg stond. “Wel, mijnheer”, zei zij, “dan moet je mijn posterianus [achterwerk] kussen, daar heb ik geen neus”’. Grappen als deze waren in de Gouden Eeuw erg populair. Net als nu werd er gelachen om seks, om poep en pis, of om individuele eigenaardigheden van mensen. Lachen en seks, meende men, waren gezond: ze brachten je lichaam in evenwicht, verdreven depressies en leerden je de tegenslagen van het leven te relativeren. Tegen het einde van de zeventiende eeuw ontstond de eerste originele pornografie van Nederlandse bodem, waarin humor en seks samengingen met maatschappijkritiek.

Lachen is gezond
Lachen gold in de Gouden Eeuw als een beproefd medicijn tegen depressies. Er bestond een uitgebreid repertoire van populaire moppen, die allesbehalve preuts waren.

Een van de beste grappenmakers uit de Republiek der Verenigde Nederlanden was de Haagse advocaat Aernout van Overbeke (1632-1674). Overtuigd van de heilzame werking van de lach, legde hij een verzameling aan van bijna 2500 moppen en anekdotes, om te vertellen in gezelschap. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bezit de handgeschreven originelen, in vijf dikke bundels. Er zitten veel verwijzingen in naar Van Overbeke zelf en zijn vrienden en vriendinnen. Dat ze allemaal mensen met een goede opleiding waren, afkomstig uit de betere kringen, blijkt uit het feit dat er grappen bij zijn in vreemde talen. Ook in zijn brieven kon Van Overbeke het lachen niet laten. Op reis naar Indië liet hij, volgens een brief aan zijn vrienden, zijn membrum virile oftewel zijn mannelijk lid afsnijden. Het klinkt vreselijk, maar in de volgende regel schemerde al door dat hij zich gewoon had laten scheren door de scheepsbarbier: zijn membrum virile was zijn baard.

In de Zuidelijke Nederlanden hielden de Spaanse overheid en de rooms-katholieke kerk de openbare moraal goed onder de duim, onder meer door een strenge censuur op gedrukte boeken. Grappen die daar populair waren en gedrukt mochten worden, gingen bijvoorbeeld over vergeetachtige priesters, of over meisjes die voor het huwelijk hun maagdelijkheid verloren. Het waren eigenlijk levenslessen in de vorm van een grap over verkeerd gedrag:

Toen een eenogige pasgetrouwde man tot zijn schrik constateerde dat zijn vrouw geen maagd meer was, antwoordde zij dat hij maar één oog had. ‘Dat hebben mijn vijanden gedaan’, zei de man. ‘Bij mij hebben tenminste mijn vrienden het gedaan’, zei de vrouw toen.

In de Noordelijke Nederlanden was de persvrijheid veel groter. Weliswaar probeerden calvinistische predikanten voortdurend om in hun ogen opruiende en zedenbedervende boeken verboden te krijgen, maar dat lukte niet altijd. Zo verscheen in 1651 in Den Haag de verzenbundel Uyt-heemsen oorlog, ofte Roomse min-triomfen. De dichter, die zich achter zijn initialen M.V.M. Hr. van Cl. verborg (Matthijs van Merwede, Heer van Clootwijck), vertelde daarin openhartig en met dubbelzinnige woordspelingen over zijn seksavonturen met jonge vriendinnetjes in Rome. Hij komt uit zijn gedichten naar voren als iemand die onafhankelijk over zijn eigen lichaam (en dat van anderen) beschikt, en zijn seksualiteit niet laat belemmeren door overheid, kerk of burgerlijk fatsoen. Zo’n gebrek aan hypocrisie was voor die tijd heel ongewoon.

Ingewikkelde liefdesgeschiedenissen zijn vaste ingrediënten van een genre-in-opkomst, de roman. In de schelmenroman Den vermakelijken avanturier van Nicolaas Heinsius (1695) buitelt de hoofdpersoon van de ene onverwachte situatie in de andere, waardoor hij de kans heeft allerlei aspecten van de gevestigde orde belachelijk te maken.

Rond 1680 publiceerde de Amsterdamse uitgever Timotheus ten Hoorn een aantal ronduit pornografische romans, waarin hoeren, studenten en andere schuinsmarcheerders vrijuit vertelden over hun erotische belevenissen. Tegelijkertijd maakten ze de schijnheiligheid van de Nederlandse samenleving belachelijk. De strekking was dat ook keurige burgers en burgeressen die het nooit zouden toegeven, werden beheerst door het verlangen naar seks. Het bekendste voorbeeld is de roman De doorluchtige daden van Jan Stront, opgedragen aan het kakhuis (deel I 1684, deel II 1696). De liefhebbers van destijds vonden het ‘drollig’, en dat woord had twee betekenissen: ‘grappig’ en ‘vol met uitwerpselen’. Bij lezers die zich ergerden aan hun hypocriete medemens, en die zelf tegen een stootje konden, was het een succesformule.

Verder lezen
De grappenmaker Aernout van Overbeke, geschilderd door Jan Maurits Quinkhard.
Boekjes met moppen werden door marskramers langs de deur verkocht.
Op dit schilderij van J.J. van Bronckhorst laat de ijdele schuinsmarcheerder Van de Merwede zich tijdens zijn verblijf in Rome drie keer afbeelden.