literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Neederlandsche Historien - de vrijheidsoorlog
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Neederlandsche Historien - de vrijheidsoorlog
P.C. Hooft , 1642

In 1642 publiceerde P.C. Hooft (1581-1647) de eerste twintig boeken van zijn Historien. Veertien jaar lang had hij gewerkt aan deze omvangrijke kroniek over de noordelijke en zuidelijke Nederlanden in de periode 1555-1584. Het waren drie rumoerige decennia, waarin de Nederlandse gewesten in opstand kwamen tegen het gezag van de Spaanse koning. Het noorden verklaarde zich onafhankelijk en richtte een Republiek op; het zuiden kon zich niet ontworstelen aan het Spaanse gezag.

Sinds 1555 werden de Nederlanden geregeerd door de Spanjaard Filips II (1527-1598). Hij werd gehaat vanwege de financiële verplichtingen die hij de lage landen oplegde en vanwege zijn godsdienstige opvattingen. Ook in de Nederlanden had de reformatie (hervorming) veel invloed: steeds meer mensen gingen over van het katholieke geloof op het protestantse. De katholieke Filips II reageerde keihard: protestanten werden vervolgd door de inquisitie, de katholieke kerkelijke rechtbank. Duizenden ‘ketters’ stierven op het schavot.

Het verzet groeide. In april 1566 sloten enkele honderden Nederlandse edellieden een verbond tegen Filips II. Geuzen, zo noemden ze zich, een trotse afleiding van het Franse scheldwoord gueux: schavuiten, bedelaars. In de zomer sloeg de vlam in de pan. Op het Vlaamse platteland beroofden protestanten katholieke kerken en vernielden daar alle heiligenbeelden. Protestanten waren fel tegen de heiligenverering, die een belangrijke rol speelt in het katholieke geloof. Deze beeldenstorm sloeg al snel over naar Antwerpen en vandaar naar alle uithoeken van het land, in noord en zuid. Binnen enkele weken tijd werd het interieur van 400 kerken kort en klein geslagen en werd verder alles van waarde weggeroofd.

Hooft volgt in zijn kroniek de ontwikkelingen op de voet, zoals in het verslag over de gebeurtenissen in Antwerpen op 20 augustus 1566. Opstandelingen drommen samen voor de kathedraal, die de dag daarvoor ook al bezoek heeft gehad van beeldenstormers. De schout slaagt er niet in de menigte tot bedaren te brengen:

Zo ras was hij niet weg, of het ging er op een zingen van psalmen met luide keel. De schatmeester en regeerders der kerkengoederen, hebbende de heilige beenderen en kleinoden in de paaikamer gelegd, schikken zich ter noorddeure uit. Het geboefte van buiten daarop schiet toe, verkracht die poort en slaat voorts al de andere open. Markgraaf en magistraat op dezen roep begeven zich weder derwaarts, maar schrikkende van de ontallijke toeloop en het gedruis dat ter kerke uitklonk, dachten genoeg te doen te vinden aan het verzekeren van het stadhuis, dat niet onbedreigd bleef. Het gespuis terwijl, zijnde alle rede, ontzag en achterzorg overgekomen, met bijlen, hamers, houwelen in de vuist, aan blutsen, breken en plunderen. Beelden, taferelen, altaren, zonder achting op ouderdom, kunst of kostelijkheid, werden geveld, gekloofd aan stukken en daar heen gesmeten, of voor buit weggedragen, met zo heet een hevigheid en voortslaand een moedwil dat zij voor middernacht zo groot, heerlijk en prachtig gesierd een kerk, als er weinig in Europa te vinden waren, tot een ijdele en akelige romp maakten. Nog kon het hen niet verzadigen. Zij streven door de straten, met barnende kaarsen en het geroofde waslicht in de hand, als bezetelingen of uitgebroken krankzinnigen, schreeuwende Vive le Geux, en schenden al wat zij van kruisen of heiligen in het oog krijgen. Hij had zijn hielen nog niet gelicht of men begint luidkeels psalmen te zingen. De schatbewaarder en de beheerders van de kerkelijke goederen bergen het heilige gebeente en de sieraden op in het kantoor en maken zich uit de voeten via de noordelijke poort. Het geboefte dat buiten staat, schiet daar vervolgens op af, dringt die poort met geweld binnen en breekt daarna al de andere open. De schout en de stedelijke autoriteiten begeven zich op het horen van dat kabaal opnieuw daarheen. Ze worden echter afgeschrikt door de massale toeloop en het lawaai dat uit de kerk klinkt, en denken de handen vol te hebben aan het beveiligen van het stadhuis, dat ook bedreigd wordt.
Het gespuis, gespeend van alle redelijkheid, ontzag en angst voor de gevolgen, is inmiddels gaan rammen, breken en plunderen, bijlen, hamers en houwelen in de hand. Beelden, schilderijen en altaren worden omver getrokken, kapotgeslagen, weggesmeten of als buit meegevoerd, zonder eerbied voor ouderdom, kunstzinnigheid of kostbaarheid. Het gaat gepaard met een zo verbitterde drift en uitzinnige woede, dat voor middernacht een grote, luisterrijke en prachtige kerk, die in Europa nauwelijks zijn weerga kent, veranderd is in een lege, troosteloze ruïne. Maar nog hebben de beeldenstormers hun woede niet gekoeld. Als bezetenen of ontsnapte krankzinnigen stormen ze door de straten, de kaarsen die ze gestolen hebben, nog brandend in de hand. ‘Leve de geuzen!’, schreeuwen ze, en alles wat zij in het oog krijgen aan kruisbeelden en heiligenbeelden, vernielen zij.
Al dit geweld, roven en verwoesten werd bedreven van een honderd wapenloze rabauwen ten hoogste, en een hoop hoeren en jongens, die de Spaanse partij riep, bij de Onroomsen opgemaakt, en door de andere hand gehuurd te zijn voor acht of tien stuivers ’s daags. Mij, gelijk ik niet ener gemeente van verse en vurige ijver ter godzaligheid zoude toevertrouwen, zich tot dus verfoeilijk een guiterij te versnodigen om goddelijke en wereldlijke wetten met voeten te doen treden, alzo dunkt niet buiten schijn (wordende onder alle gezindheden eerlozen en vromen gevonden) dat de vuilsten door deze ranken hunne aard hebben getoond, sommigen met dit spel hun ogen geaasd, groeiende in een plaag die zij waanden met de bitterheid van het vervolg bij de geestelijkheid wel verdiend te wezen, anderen geen kommer daar in gezet, hopende dat de ene verwoedheid de andere mat makende, in partijen een verlangen naar gematigde orde mochte baren. (…) Maar deftig zeker droeg zich het gros der Onroomsen, lakende dat een behoorlijk werk onbehoorlijker wijze gewrocht werd.Voor al dat geweld en al die roof en verwoesting waren hooguit honderd mensen verantwoordelijk: ongewapend uitvaagsel met een stel hoeren en soldaten erbij. De Spaansgezinden beweerden dat ze opgehitst waren door de protestanten, en door tussenpersonen waren ingehuurd voor acht of tien stuivers per dag. Maar ik zou een jonge gemeenschap met een vurige geloofsijver niet graag in de schoenen schuiven dat ze zo laaghartig was geweest, anderen op te hitsen tot het met voeten treden van goddelijke en wereldlijke wetten. Onder alle geloofsgroepen vind je, naast vrome lieden, ook mensen zonder eergevoel. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk, dat de meest verdorven lieden onder de protestanten met deelname aan de beeldenstorm hun ware aard hebben getoond. Anderen hebben er vervolgens hun ogen mee verzadigd; ze schiepen behagen in dat schouwspel, en vonden dat de Roomse geestelijken, met hun spijkerharde vervolging van andersdenkenden, niet beter verdiend hadden. Weer anderen zouden zich er niet om bekommerd hebben. Ze hoopten misschien dat de waanzin van de protestanten die van de katholieken tot staan zou brengen, zodat in beide partijen een verlangen zou ontstaan naar herstel van de orde. (…) Maar beslist gedroeg de meerderheid van de protestanten zich waardig, en sprak zijn afkeuring uit over het feit dat een behoorlijk werk op onbehoorlijke wijze werd uitgevoerd.

In de Nederlandsche Historien werkte Hooft volgens het principe van imitatio dat in de renaissance de grondwet van de literatuur was. Zijn grote voorbeeld was de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus (ca. 55-120). Net als Tacitus wilde Hooft de gebeurtenissen zo objectief mogelijk weergeven én in een goed verzorgde stijl. Geen dorre opsomming van feiten, maar een boeiend en meeslepend verhaal, waarin zijn eigen mening altijd overduidelijk was.

Zo ook in de passage hierboven. Hooft vindt dat de opstandelingen strijden voor een rechtvaardige zaak. Toch kan hij uitwassen als de beeldenstorm onmogelijk goedkeuren. Grote afschuw heeft hij van de horden vandalen die eeuwenoude beelden vernielen en zich verlagen tot diefstal van kerkelijke eigendommen. Hooft hecht veel waarde aan law and order. Hij waarschuwt dat de massa, het ‘grauw’, zich gemakkelijk laat ophitsen en dus verstandige leiders nodig heeft, anders gaat het fout. Hooft hekelt het Antwerpse stadsbestuur, dat niet opgewassen bleek tegen de situatie, en liever het stadhuis verdedigde dan de kerken te redden. Veel meer te spreken is hij over enkele Hollandse steden waar de autoriteiten plunderingen wisten te voorkomen, soms door hard op te treden, soms door te onderhandelen. In sommige steden deed het gemeentebestuur concessies aan de opstandelingen; zij kregen een kerk toegewezen voor de protestantse eredienst.

Toen Hooft in 1642 de eerste twintig boeken van de Historien publiceerde, was de oorlog tegen Spanje nog niet voorbij. In het zuiden van het land werd nog altijd gevochten. Hooft heeft het einde van de oorlog niet mogen meemaken. Hij overleed in 1647, een jaar voor de Vrede van Munster. Tot zijn dood bleef hij schrijven aan de Historien. Hij kwam tot het jaar 1587.

Verder lezen
Het titelblad van Hoofts Historien. In 1656 werden alle 27 boeken van de Historien voor het eerst in één band uitgegeven.
De Beeldenstorm in Antwerpen, 20 augustus 1566, op een gravure van Frans Hogenberg (1538?-1590?).