literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: 't Groote visch-net - een spottend pamflet
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
't Groote visch-net - een spottend pamflet
J. Zoet, 1657

In de Gouden Eeuw bestonden er in de Republiek tientallen religieuze groeperingen, die niet altijd even verdraagzaam met elkaar samenleefden. De Amsterdamse dichter Jan Zoet (1608?-1674) bespot ze in zijn pamflet ’t Grote visnet bijna allemaal. Zoet vond inspiratie in het evangelie van Matteüs. Jezus Christus maakt daar duidelijk dat niet iedereen in de hemel zal komen. Hij trekt de vergelijking met een visnet dat zojuist is opgehaald. Er zitten allerlei soorten vis in. De goede vissen worden verzameld in manden, de slechte worden weggegooid (Matteüs 13:47-49).

In de ogen van Zoet zijn er veel slechte vissen. De katholieken bijvoorbeeld, vergelijkt hij met snoeken, gemene roofdieren die andersdenkenden genadeloos onderdrukken. Maar ook de calvinisten zijn roofvissen: baarzen. Zoet hekelt hun predestinatieleer, de leer van de voorbeschikking. De calvinisten geloofden dat God van tevoren had bepaald of iemand in de hemel zou komen of in de hel. De mens kon daarop dus geen invloed uitoefenen. Dat gold ook voor de tweelingbroers Ezau en Jacob uit het bijbelboek Genesis. Al in de moederschoot had God Jacob verkozen boven Ezau (Romeinen 9:11-13). De arminianen verzetten zich tegen die leer, maar zij verloren het pleit. Zij zijn in de ogen van Zoet grondeltjes: heel kleine, onbetekenende baarsjes.

Ook de doopsgezinden krijgen er van langs. Zij wilden in vrede en eenvoud leven, zonder rijkdom en uiterlijk vertoon. Maar Zoet maakt in een paar hatelijke voetnoten duidelijk, hoe weinig daarvan terecht kwam.

In Zoets tijd ontstonden er genootschappen en sekten van vrijdenkers: christenen die hun heil buiten de kerk zochten. Zoet, die bij verschillende kerkgenootschappen met ruzie was vertrokken, was zelf ook een vrijdenker. Alleen voor zijn geestverwant Jacob Claasz. uit Aalsmeer heeft hij in ’t Grote visnet goede woorden over. Claasz., een roepende in de woestijn, wordt vergeleken met een puitaal, een vis die zich ingraaft in de zeebodem.

Zoet besluit toch nog met de wens voor vrede: hij hoopt dat iedereen de Grote Visser zal gehoorzamen. Hij schreef de tekst op de melodie van een bekend lied: O kerstnacht schoner dan de dagen uit het befaamde toneelstuk Gijsbreght van Aemstel (1637) van Joost van den Vondel. Het lied kon gemakkelijk worden meegezongen. Dat bevorderde de bekendheid van de nieuwe tekst: het werd onthouden en nagezongen – verspreiding gegarandeerd!

Hier volgt een gedeelte uit ’t Grote visnet:
De snoeken, waar ’t al voor moet wijken,
zijn ’t beeld der roomse katholijken
die met een ijselijk getier
al ’t volkje dat hun lied niet zingen,
door bannen en door beulen dwingen
en stoken hel en vagevier.
De snoeken, waarvoor alles moet wijken,
zijn symbool voor de rooms-katholieken.
Met een ijzingwekkend geschreeuw
leggen ze alle mensen die hun liedje niet willen zingen,
hun wil op met banvloeken en beulen
en poken ze het vuur van de hel en het vagevuur op.
De gladde zeelten, die nooit bijten,
zijn, evenals de mennonijten,
zo kwaad te grijpen als een aal.
Zij houden steeds een deurtje open
en splijten zich aan honderd hopen
om (a) loon, om (b) kroon, om (c) schip, om taal.
De gladde zeelten die nooit bijten,
zijn, evenals de doopsgezinden,
zo moeilijk te pakken als een aal.
Steeds houden zij de deur op een kier
en splitsen zich in honderd partijtjes
als het gaat om (a) loon, om (b) kroon, om (c) schip of taal.
De baarzen, dapper hoog geprezen,
wiens scharpe vinnen elk moet vrezen,
zijn ’t eedle nazaat van Calvijn,
die goed en kwaad noodzaaklijk noemen,
en Ezau in den Buik verdoemen,
wijl God niet kan gebonden zijn.
De baarzen worden flink geprezen:
voor hun scherpe vinnen is iedereen bang.
Ze zijn de edele nakomelingen van Calvijn.
Goed en kwaad noemen ze voorbeschikt;
Zo was Esau in de moederschoot al verdoemd,
want God kan nergens toe gedwongen worden.
Zij heersen vorstlijk in de landen.
Zij hebben harde en scharpe tanden
en wreken zich van overlast.
De stromen moeten voor haar beven.
Wie zou aan haar de prijs niet geven,
wijl in ’r hand de scepter past?
Als vorsten heersen zij in onze provincies.
Ze hebben harde en scherpe tanden
en als iemand ze iets aandoet, nemen ze wraak.
Alle vissen in de stroom moeten voor die baarzen beven.
Wie zou ze niet alle eer en roem geven;
de koningsstaf hoort tenslotte in hun hand!
Het grundeltje, van kleine waarde,
zijn d’ arminianen, op de aarde
van macht en heerschappij beroofd,
doch die weleer daar hard naar drongen.
Nu schijnt ’r lied heel uitgezongen,
want elk denkt: Jan Neef, wacht je hoofd.
De grondeltjes, van weinig waarde,
dat zijn de arminianen. Ze zijn nu op aarde
beroofd van hun macht en hun heerschappij,
maar wat hebben ze er indertijd voor gevochten!
Nu lijkt hun liedje uit, want ze denken allemaal:
pas op, Jantje, het kost je de kop!
Een (d) puitaal, in het veen gevangen,
puur doof met ongeschoren wangen
en met een grove pij bekleed,
laat zijne stem al staamlend horen
tot smaad en spot van veel doctoren,
en zegt dat hij veel wijsheid weet.
Een puitaal, gevangen in het veen,
volkomen onopvallend, met ongeschoren wangen
en gekleed in een ruwe mantel,
laat zijn stem aarzelend horen
- tot schande en spot van veel geleerde heren -
en zegt dat hij veel wijsheid bezit.
Veel wijsheid, niet uit hogescholen,
waarin nu elk met lust gaat dolen,
maar uit Gods hoge troon gehaald.
Hij toont ons Christi rijk op aarde
en hoe het lijdzaam volk, vol waarde,
daarin, met kroon en scepter praalt.
Ja, veel wijsheid, maar niet van de universiteit,
waar iedereen fanatiek voortgaat op de verkeerde weg,
die ze denken af te leiden uit Gods hoge troon.
Hij toont ons het rijk van Christusop aarde
en hoe het verdraagzame volk, vol respect,
daar schittert met kroon en koningsstaf.
(a) De een verstond dat een preker voor zijn dienst wel mocht trekken, de ander niet, waarop nabij een grote scheuring was gevolgd. (a) De een vond dat een predikant wel geld mocht ontvangen voor zijn dienst; de ander vond van niet. Het leidde bijna tot een totale kerkscheuring.
(b) Een rijke weduwe liet, met voorgaande bewilliging van een preker en een oudste der gemeente tot Haarlem, een kerkkroontje in het preekhuis ten dienst der vrouwen hangen, doch sommige neuswijze broeders, hierdoor geërgerd, maakten dat daaruit, wat voorslagen van vrede dat er werden gedaan, een dappere twist, en eindelijk geen kleine verdeeldheid ontstond. (b) Een rijke weduwe liet, met toestemming van een predikant en een kerkopziener van de doopsgezinde gemeente Haarlem, voor de vrouwen een kroonluchter ophangen in de kerk. Maar enkele twistzieke broeders, die zich daaraan geërgerd hadden, zorgden ervoor dat er een verschrikkelijke ruzie van kwam en de gemeente verdeeld raakte in twee kampen, dit ondanks diverse pogingen tot bemiddeling.
(c) Eveneens geschiedde binnen Hoorn, stad in Noord-Holland, omdat een broeder, hebbende zich voor schipper zo rijk gevaren dat hij, de zee verlatende, nu de overige tijd zijns levens op zijn muiltjes meende door te brengen, een hard stenen schip in zijn huisgevel had laten zetten, en staande held dat zulks mocht geschieden. (c) Ook gebeurde het in Hoorn (een stad in het noorden van Holland) dat een broeder als schipper zo veel geld had verdiend dat hij het zeemansleven vaarwel wilde zeggen en verder een lui leventje zou gaan leiden. Hij had een stenen reliëf van een schip in zijn voorgevel laten plaatsen en hield vol dat hij daar het recht toe had.
(d) Een boer van Aalsmeer, genaamd Jacob Claasz., weigerende, met voorgevingen van wat God hem met zijn levendig woord heeft begaafd om Israëls rijk nu wederom op te rechten, alle schattingen en impositiën tot onderhoud van d’ oorlog ingesteld. Waarom hij verscheiden malen in gevangenis is geweest, als onder andere tot Haarlem, met zijn broeder, de tijd van negen maanden, doch is altijd zonder iets te geven vrij geworden. (d) Jacob Claesz., een boer uit Aalsmeer, weigerde alle belastingen en accijnzen te betalen die geheven werden voor de oorlogsvoering, met als argument dat God hem begiftigd had met Zijn krachtige woord om het rijk van Israël te laten herrijzen. Meerdere malen heeft hij daarvoor gevangen gezeten, onder meer negen maanden lang in Haarlem, met zijn broer. Maar hij is altijd vrijgelaten zonder dat hij iets hoefde te betalen.

Tegenwoordig hoef je geen wereldleider te zijn die elke dag op de tv komt om je mening over actuele kwesties kenbaar te maken aan een groot publiek. Je gebruikt het internet, met z’n web logs en sites, of schrijft een brief in een krant. In de Gouden Eeuw waren dergelijke media vanzelfsprekend nog niet beschikbaar. Toch bestond er ook toen al een machtig propagandamiddel: het pamflet. Een pamflet (indertijd vaak ‘libelle’ genoemd, boekje) was een vlugschrift over een actuele kwestie, gedrukt op goedkoop papier en voor een paar stuivers te krijgen bij een boekhandel of bij straatventers. Pamfletten handelden vooral over politieke en godsdienstige kwesties, zoals het lied van Jan Zoet.

Een pamflettist kon elke vorm en inhoud gebruiken die hij geschikt vond. Sommigen schreven lange, serieuze verhandelingen, met talloze voetnoten; anderen goten hun betoog in de vorm van een zogenaamd realistische dialoog op straat of tijdens een reis. Ook humor was een populair wapen, bijvoorbeeld in felle hekeldichten en spotliederen. Jan Zoets spotlied was dus geen uitzondering.

Verder lezen
Zoet schreef zijn tekst bij dit schilderij uit 1614, van A.P. van de Venne (1589-1662), De zielenvisserij.1614. Het hangt in het Rijksmuseum in Amsterdam.
De laatste pagina uit het pamflet ’t Grote visnet.