literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Basia - de kunst van het kussen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Janus Secundus (1511-1536) werd niet oud, maar is toch de beroemdste Nederlandse dichter ooit omdat hij in het Latijn schreef, de internationale taal bij uitstek. Hij werd al in zijn eigen tijd luid geprezen om zijn gedichten en vooral om één serie, over het zoenen. Secundus liet zien wat creatieve nabootsing was. Al in de oudheid had de Romeinse dichter Catullus kusgedichten geschreven. Secundus volgde die na, maar wist er een heel eigen draai en toon aan te geven. Dit was op en top imitatio. Hij luidde in de Nederlanden een lange traditie van dichten en schrijven in het Latijn in.

Basia - de kunst van het kussen
J. Secundus, 1535

Janus Secundus Nicolai Hagiensis (Den Haag, 1511- Doornik, 1536) was de zoon van de president van het Hof van Holland (de rechtbank). Het gezin telde in totaal 18 kinderen, waarvan ongeveer de helft heel jong stierf. Drie jongens - Nicolaus Grudius (1504-1570), Hadrianus Marius (ca 1509-1568) en Janus (genoemd naar de heilige Secundus), schreven gedichten. In 1528 vertrok het gezin naar Mechelen en in 1532 of 1533 studeerden Marius en Secundus af in de rechten. Secundus ging naar Spanje, waar Grudius schrijver van de Latijnse correspondentie van keizer Karel V (1500-1558) was. Secundus kreeg eenzelfde baan bij de bisschop van Toledo. Vanwege een ziekte ging hij terug naar de Nederlanden, waar hij schrijver van de bisschop van Utrecht werd. Nadat hij de eervolle uitnodiging aangenomen had om Grudius op te volgen als schrijver van Karel V, stierf hij onderweg naar hem in de abdij van Saint-Amand bij Doornik.

Secundus is bekend geworden om zijn bundel Basiorum Liber, kortweg altijd Basia genoemd (‘Kussen’, 1535). De bundel bevatte negentien Latijnse gedichten. Daarvan zijn vertalingen in het Engels, Duits, Frans en Nederlands verschenen. De zestiende-eeuwse Franse schrijver Montaigne noemde Secundus in zijn Essais in één adem met andere internationaal beroemde dichters, zoals Boccaccio en Rabelais. In de achttiende eeuw was ook de Duitse dichter Goethe enthousiast over de Basia. Ze werden een halve eeuw na Secundus’ dood in het Nederlands vertaald door Janus Dousa en Jan van Hout.

De gedichten zijn een spitsvondige imitatie van de gedichten van de Romeinse dichter Catullus en staan soms vol mythologische namen. Ze gaan over een zekere Neaera, een pseudoniem voor een meisje wier echte naam we niet kennen. Het is zelfs niet duidelijk óf ze wel bestond. In elk geval zijn de gedichten terughoudend: het gaat allemaal niet verder dan zoenen, seks komt er niet in voor. Misschien heeft dat te maken met de dreiging van de ziekte syfilis, die sinds haar uitbraak in 1494 tijdens een veldtocht van het Franse leger naar Napels, overal om zich heen greep. De lichamelijke liefde was nu voorgoed ook gevaarlijk voor mannen.

In het tweede Basium nodigt de minnaar zijn geliefde uit om hem te omhelzen. Er komen Zefiers in voor, planten zoals wingerd en mirte die altijd groen zijn en daarom al in de oudheid symbool van eeuwigdurende liefde waren, de Griekse oppergod Jupiter en de mooiste vrouw uit de Griekse mythologie: Helena.

Zoals de wijnrank om zijn buur de olm zich slingert
     en om de hoge eik
zijn lange armen slaat de kronkelende wingerd,
     Neaera, als je kunt,
kruip zo op naar mijn hals met strengelende armen,
     Neaera, als ik kon,
dan zou ik met zo’n band jouw blanke hals verwarmen,
     in kussen voor altijd.
Dan zou mij noch de zorg om drinken, noch om eten,
     noch zoete slaap, mijn lief,
ooit van je rode mond de laafnis doen vergeten,
     maar in gedeelde kus
zou één tocht van het veer de twee gelieven varen
     naar ’t vale huis des Doods.
En weldra zouden wij door geurige velden waren
     met eeuwig voorjaarsweer,
waar samen edele heroën en heldinnen
     in beurtzang en in dans
volgens antieke wijs elkaar eeuwig beminnen
     in ’t groene mirtedal,
waar tussen rozen en viooltjes en narcissen
     het lauwerbosje met
zijn schaduw trillend speelt en lauwe Zefiers sissen
     in blijde fluistering
voortdurend, en de grond ook ongewond door ploegen,
     zijn overvloed uitschenkt.
Dan zou de hele schaar der zaligen zich voegen
     bij ons en op een bank
van zoden zouden wij naast oude dichters zitten.
     Geen enkele minnares
van Jupiter zou jou je ereplaats betwisten,
     noch de schone Helena.

In de vierde kus zegt Secundus dat de kussen van Neaera geen gewone zoenen zijn, maar godendrank, nectar en honing die van de berg bij Athene, Hymettus komt. Ze is zo lief dat hij zelfs geen oppergod zou willen worden als zij niet bij hem zou zijn:

Zij geeft nectar, Neaera, ’t zijn geen kussen,
zij geeft dauw van haar ziel bedwelmend geurig,
zij geeft nardus en tijm, kaneel of honing,
zoals bijen die puren, op Hymettus
of in rozenpriëlen in Athene
her en der, om in maagdelijke was te
bergen binnen een korf van tenen vlechtwerk.
Als mij daarvan nog meer te beurt zou vallen,
zou ik daardoor meteen onsterflijk worden
en ik zou van het godenmaal genieten.
Maar voorzichtig, voorzichtig met die gaven,
of word liever godin, Neaera, met mij.
Zonder jou wil ik niet met de goden eten,
ook als Jupiter werd verjaagd niet, en ik
heersen zou in het roze rijk der goden.

Secundus was een voorloper van de literaire ontwikkelingen die in de Nederlanden vanaf ongeveer 1550 los zouden barsten. In internationaal perspectief sloot hij aan bij de renaissanceliteratuur die in Italië en Frankrijk al wortel had geschoten.

Verder lezen
Portret van Janus Secundus